Volgen

Webpagina's van het basisstation

U kunt de webpagina's van het basisstation gebruiken om het basisstation te configureren en voor de status en statistieken.

Alle pagina's zijn beschikbaar in de beheerdersweergave. Voor toegang tot de webpagina's van het basisstation in de beheerdersweergave, zie Aanmelden bij de beheerwebpagina.

Sommige pagina's zijn beschikbaar in de gebruikersweergave. Voor toegang tot de webpagina's van het basisstation in de gebruikersweergave, zie Aanmelden bij de webpagina van de gebruiker.

Tenzij anders aangegeven, worden webpagina's alleen in de beheerdersweergave weergegeven.

Webpaginavelden Start/Status

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Start/Status van het basisstation. Deze velden zijn Alleen-lezen.

De pagina wordt weergegeven in de weergaven voor beheerders en gebruikers.

Tabel 1. Webpaginavelden Start/Status

Veld

Beschrijving

Systeeminformatie

Identificeert of de modus voor twee of voor meerdere cellen is ingeschakeld of uitgeschakeld.

De informatie over de twee cellen wordt alleen weergegeven op de 110 basisstation met enkele cel. De informatie over de meerdere cellen wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Type telefoon

Identificeert de hardwerversie (IPDECT-Vx) en het type van het basisstation (DBS-110-3PC of DBS-210-3PC).

Systeemtype

Identificeert het ingeschakelde protocol.

RF-band

Identificeert de radiofrequentieband (RF) die het systeem gebruikt.

RF-banden zijn specifiek voor het land waar de apparatuur is geïnstalleerd.

Huidige lokale tijd

Identificeert de huidige datum en tijd van het systeem.

Werktijd

Identificeert de verlopen tijd (in dagen, uren, minuten en seconden) sinds de laatste keer opnieuw opstarten.

RFPI-adres

Identificeert de RFPI-identiteit (Radio Fixed Part Identity) van het basisstation.

MAC-adres

Identificeert het MAC-adres van het basisstation.

IP-adres

Identificeert het toegewezen IP-adres van het basisstation.

Productconfiguratie

Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Firmwareversie

Identificeert de firmware-versie en de firmware-datum die momenteel wordt uitgevoerd op het basisstation.

Firmware-URL

Identificeert het IP-adres van de firmware-updateserver en het firmware-pad op de server.

Reboot

Hier wordt de invoer van de laatste 6 reboots weergegeven, met de datum, tijd, het type reboot en de firmware-versie.

Type reboot omvat: normaal opnieuw opstarten, geforceerd opnieuw opstarten, stroomstoring, onverwachts opnieuw opstarten

Status basisstation

Geeft de huidige status:

  • Inactief: geen actieve gesprekken

  • In gebruik: een of meer actieve gesprekken

Status van de SIP-identiteit van dit basisstation

Identificeert de toestelnummers die op het basisstation zijn geconfigureerd en de status van het toestelnummer:

  • OK: handset is OK.

  • SIP-fout: handset heeft een SIP-registratiefout.

Webpaginavelden Toestelnummers

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Toestelnummers van het basisstation.

De pagina wordt weergegeven in de weergaven voor beheerders en gebruikers.

Deze sectie is van toepassing op firmwarerelease 4.7 en hoger. Zie voor de pagina voor de firmwarerelease V450 en V460: Velden van de webpagina Toestelnummers voor firmwarerelease V450 en V460.

Tabel 2. Sectie Algemeen

Veld

Inhoud

Beschrijving

AC

4-cijferige numerieke code

Identificeert de toegangscode (AC) voor het basisstation.

Dit veld kan alleen worden gewijzigd in de beheerdersweergave.

Tabel 3. Sectie Toestelnummers

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft het volgnummer van de handset.

Toestelnummer, info

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft het IPEI-nummer (International Portable Equipment Identity), het unieke DECT-identificatienummer van de handset.

Dit veld is een koppeling naar meer informatie over de handset op de pagina Terminal.

Onder de IPEI-koppeling ziet u de status van de handset en het toestelnummer.

  • Status: een gekleurde stip geeft de status aan:

    • Groen: de handset is geregistreerd.

      Rood: de handset wordt verwijderd.

  • Toestel: de naam van het toestelnummer

De handset kan twee keer voorkomen in de lijst als er twee lijnen aan zijn toegewezen.

Terminalpositie

Dit veld is Alleen-lezen

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Geeft het RPN-nummer en de naam van het basisstation.

Terminalstatus

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de huidige status van de handset:

  • Aanwezig@RPNxx: de handset is verbonden met het basisstation RPNxx.

  • Losgekoppeld: de handset is niet verbonden (bijvoorbeeld uitgeschakeld of niet geregistreerd).

  • Gevonden: de handset is geconfigureerd om te communiceren met een specifiek basisstation, maar kan geen verbinding maken. Dit wordt bijvoorbeeld weergegeven als de handset is ingeschakeld, maar het basisstation is uitgeschakeld.

  • Verwijderd: de handset is niet verbonden met het basisstation (niet zichtbaar) gedurende een bepaalde tijd, doorgaans één uur.

Type Terminal, FW-informatie

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft het modelnummer en de firmware-versie van de handset.

FWU-voortgang

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de status van de firmware-update (FWU):

  • Uit: geeft aan dat het veld voor sw-versie is ingesteld op 0 op de pagina Firmware-update.

  • Initialiseren: geeft aan dat het updateproces is gestart.

  • X%: geeft de voortgang van de download aan, waarbij X het voortgangspercentage is (0-100).

  • X% verifiëren: geeft aan dat de firmware wordt geverifieerd voordat deze wordt gebruikt.

  • Wachten op lader: geeft aan dat de firmwaredownload is voltooid en dat de handset in het oplaadstation moet worden geplaatst om de nieuwe firmware te installeren.

  • Conn.term.wait: geeft aan dat de firmware-update van de repeater is voltooid en dat de repeater nu opnieuw wordt ingesteld.

  • Voltooid: geeft aan dat de firmware-update is voltooid.

  • Fout: geeft aan dat de update niet is gelukt. Mogelijke oorzaken:

    • Bestand is niet gevonden.

    • Bestand is niet geldig.

Batterijniveau

Dit veld is Alleen-lezen

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Geeft een momentopname van het huidige laadniveau van de handsetbatterij weer.

ALs u de velden voor batterijniveau, RSSI en metingstijd wilt vernieuwen, klikt u op Vernieuwen links van het IPEI-selectievakje.

RSSI

Dit veld is Alleen-lezen.

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Hier wordt een momentopname van de indicator voor de ontvangen signaalsterkte (RSSI) voor het verbonden basisstation of de verbonden repeater weergegeven.

ALs u de velden voor batterijniveau, RSSI en metingstijd wilt vernieuwen, klikt u op Vernieuwen links van het IPEI-selectievakje.

Metingstijd [mm:ss]

Dit veld is Alleen-lezen

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Hier wordt de tijd in minuten en seconden weergegeven sinds de batterij- en de RSSI-informatie van de handset zijn vastgelegd.

ALs u de velden voor batterijniveau, RSSI en metingstijd wilt vernieuwen, klikt u op Vernieuwen links van het IPEI-selectievakje.

Webpaginavelden Toestelnummers toevoegen of bewerken

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina's Toestelnummer toevoegen en Toestelnummer bewerken van het basisstation.

Tabel 4. Webpaginavelden Toestelnummers toevoegen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Lijnnaam

Tekenreeks

Lengte: 1 tot 7 tekens

Indiceert de naam van de lijn voor inkomende en uitgaande gesprekken.

Terminal

Keuze:

  • Nieuwe terminal

  • Terminal Idx 1

  • Terminal Idx 2

Identificeert hoe het toestelnummer moet worden toegewezen.

  • Nieuwe terminal: een nieuwe handset wordt geconfigureerd.

  • Terminal Idx x: identificeert de index van een bestaande handset (van de pagina Servers).

    Dit wordt gebruikt wanneer u een tweede toestelnummer toewijst aan een handset.

Toestel

Cijferreeks

Geeft het telefoonnummer aan.

Het toestelnummer moet worden geconfigureerd op de SIP-server voordat de handset gesprekken kan starten en ontvangen.

De toestelnummer wordt op het hoofdscherm van de handset weergegeven.

Verificatie gebruikersnaam

Tekenreeks

Identificeert de gebruikersnaam die aan de handset is toegewezen in het gespreksbeheersysteem.

In firmwarerelease 4.7 kan de naam maximaal 128 tekens lang zijn.

Wachtwoord verificatie

Tekenreeks

Identificeert het wachtwoord van de gebruiker op het gespreksbeheersysteem.

In firmwarerelease 4.7 kan het wachtwoord maximaal 128 tekens lang zijn.

Weergavenaam

Tekenreeks

Identificeert de naam die bij het toestelnummer wordt weergegeven.

Deze naam wordt weergegeven op het hoofdscherm direct onder de datum en tijd.

XSI-gebruikersnaam

Tekenreeks

Identificeert de gebruikersnaam voor de BroadSoft XSI-telefoonlijst.

In firmwarerelease 4.7 kan de naam maximaal 128 tekens lang zijn.

XSI-wachtwoord

Tekenreeks

Identificeert het wachtwoord voor de BroadSoft XSI-telefoonlijst.

In firmwarerelease 4.7 kan het wachtwoord maximaal 128 tekens lang zijn.

Postvaknaam

Tekenreeks

Identificeert de gebruikersnaam voor het voicemailsysteem.

Postvaknummer

Cijferreeks

Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Geeft het nummer dat voor het voicemailsysteem moet worden gekozen. Dit nummer moet zijn ingeschakeld op de SIP-server.

Server

Vervolgkeuzelijst met IP-adressen

Duidt op het adres van de SIP-server of het gespreksbeheersysteem.

De functie Wachtend gesprek

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Identificeert of Wachtend gesprek beschikbaar is op de telefoon.

Lijst-URI BroadWorks Busy Lamp Field

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert de URL die moet worden gebruikt voor BLF-informatie (Busy Lamp Field)

Alleen van toepassing op BroadSoft SIP-servers.

BroadWorks-weergave voor gedeeld gesprek

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert of de lijn wordt gedeeld

Alleen van toepassing op BroadSoft SIP-servers. Moet zijn ingeschakeld op de SIP-server.

BroadWorks-functie gebeurtenispakket

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert of het BroadWorks-pakket beschikbaar is. Functies omvatten: niet storen, gesprek doorschakelen (alle, bezet, geen antwoord).

Alleen van toepassing op BroadSoft SIP-servers. Moet zijn ingeschakeld op de SIP-server.

Nummer voor onvoorwaardelijk doorschakelen van gesprekken

(2 velden)

Cijferreeks:

  • Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert:

  • Of gesprekken onvoorwaardelijk doorschakelen beschikbaar is.

  • Welk nummer er moet worden gekozen wanneer er een inkomende oproep wordt ontvangen voor de handset.

Van toepassing op alle inkomende oproepen.

Nummer voor doorschakelen bij geen antwoord

(3 velden)

Cijferreeks:

  • Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Tijd in seconden:

  • Tussen 0 en 255

  • Standaard 90

Identificeert:

  • Of gesprek doorschakelen bij geen antwoord beschikbaar is.

  • Welk nummer er moet worden gekozen wanneer er een inkomende oproep wordt ontvangen voor de handset en deze niet wordt beantwoord.

  • Hoe lang er moet worden gewacht, in seconden, voordat het gesprek wordt beschouwd als niet beantwoord.

Van toepassing op alle niet-beantwoorde gesprekken.

Nummer voor doorschakelen bij bezet

(2 velden)

  • Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert:

  • Of gesprek doorschakelen bij bezet beschikbaar is.

  • Welk nummer er moet worden gekozen als de handset bezet is. Een handset is bezet wanneer er al 2 gesprekken zijn (een actief en een in de wacht).

Is van toepassing wanneer de handset zich in een bestaand gesprek bevindt.

Anonieme gesprekken afwijzen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de handset gesprekken zonder nummerweergave moet afwijzen.

Nummer verbergen

Waarden:
  • Uit

  • Aan voor volgende oproep

  • Always-on

Geeft aan of een handset een oproep kan doen zonder nummerweergave.

Niet storen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de gebruiker de modus Niet storen (NST) kan inschakelen.

Velden van de webpagina Terminal

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Terminal van het basisstation. Klik op het IPEI-nummer van de handset op de pagina Toestelnummers om dit scherm weer te geven.

De pagina wordt weergegeven in de weergaven voor beheerders en gebruikers. Niet alle velden zijn beschikbaar in de weergave voor gebruikers.

Deze sectie is van toepassing op firmwareversie 4.7. Zie voor de pagina voor de firmwarerelease V450 en V460: Velden van de webpagina Terminal voor firmwarerelease V450 en V460.

Tabel 5. Velden van de webpagina Terminal

Veld

Inhoud

Beschrijving

IPEI

Reeks van 10 tekens

Bevat het IPEI-nummer (International Portable Equipment Identity) van de handset. Elke handset heeft een uniek IPEI-nummer en dit nummer wordt weergegeven op het etiket onder de handsetbatterij en op het etiket van de handsetdoos.

Als u dit veld wijzigt, wordt registratie van de handset ongedaan gemaakt.

Gekoppelde terminal

Waarden:

  • Geen gekoppelde terminal

  • Handset-id

Geeft de terminal aan die is gekoppeld met de handset.

AC

Code van 4 cijfers

Geeft de toegangscode die is gebruikt om de handset te registreren. Nadat de handset is geregistreerd, wordt deze code niet gebruikt.

Opmerking

 

We raden aan dat u de standaardwaarde wijzigt wanneer u uw systeem begint in te stellen, voor betere beveiliging.

Noodlijn

Waarden:

  • Geen noodlijn geselecteerd

  • Telefoonnummer

Geeft de lijn aan die moet worden gebruikt voor noodoproepen.

Alarmnummer

Telefoonnummer

Geeft het nummer aan dat moet worden gekozen wanneer een gebruiker gedurende drie seconden of langer drukt op de knop Nood op de handset.

Nummerplan-id

Waarden: 1 tot 10

Alleen de beheerdersweergave

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Identificeert de index van het nummerplan, geconfigureerd in Webpaginavelden Nummerplannen.

HEBU-gebruikersnaam

Tekenreeks van maximaal 40 tekens

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Geeft de gebruikersnaam aan voor de registratie van de handset in de modus HEBU.

HEBU-wachtwoord

Tekenreeks van maximaal 40 tekens

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Geeft het wachtwoord aan voor de registratie van de handset in de modus HEBU.

Toestellen

VoIP Idx

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft het volgnummer van de handset.

Toestel

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft de geconfigureerde toestelnaam weer.

Het toestelnummer moet worden geconfigureerd op de SIP-server voordat de handset gesprekken kan starten en ontvangen.

Alleen beheerdersweergave: dit veld is een koppeling naar meer informatie over de handset op de pagina Toestelnummer bewerken.

Weergavenaam

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft het telefoonnummer aan.

Deze informatie wordt op het hoofdscherm van de handset weergegeven.

Server

Dit veld is Alleen-lezen.

Duidt op het adres van de SIP-server of het gespreksbeheersysteem.

Serveralias

Dit veld is Alleen-lezen.

Bevat de naam van het gespreksbeheersysteem.

Status

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft de status van de SIP-registratie aan. Als het veld leeg is, heeft de handset geen SIP-registratie.

Signaalinstellingen

Ontvangmodus

Alleen de beheerdersweergave

Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Verzendinterval

Alleen de beheerdersweergave

Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Alarmprofielen

Profiel 0-7

Alleen de beheerdersweergave

Geeft de lijst met alarmen.

Alarmtype

Naam van het alarm

Alleen de beheerdersweergave

Geeft aan welk alarmtype is geconfigureerd voor het specifieke profiel. Wanneer geen alarmen zijn geconfigureerd, geeft het veld Niet geconfigureerd weer.

Selectievakje alarmtype

Selectievakje (standaard uitgeschakeld)

Alleen de beheerdersweergave

Identificeert het alarmtype dat actief is op de handset.

Instellingen voor weergave gedeeld gesprek

Idx 1-8

Alleen de beheerdersweergave

Index van de toestelnummers

Toestel

Toestelnummer

Alleen de beheerdersweergave

Identificeert de handsetlijnen die ondersteuning bieden voor weergave gedeeld gesprek. Wanneer de functie door geen lijnen wordt ondersteund, wordt Niet geconfigureerd weergegeven in het veld.

Lokale telefoonlijst importeren

Bestandsnaam

Wordt gebruikt om een lokale telefoonlijst vanaf een computer naar de telefoon te uploaden in de .csv-indeling (door komma's gescheiden).

Zie Instellingen lokale contactpersonen voor meer informatie.

Lokale telefoonlijst exporteren

Wordt gebruikt om een lokale telefoonlijst vanaf een telefoon naar de computer te exporteren in de .csv-indeling (door komma's gescheiden).

Zie Instellingen lokale contactpersonen voor meer informatie.

Webpaginavelden Servers

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Servers van het basisstation of op de webpagina Server toevoegen wanneer u de installatie start.
Tabel 6. Webpaginavelden Servers

Veld

Inhoud

Beschrijving

Serveralias

Tekenreeks

Identificeert de korte naam voor de gespreksbeheerserver.

NAT-aanpassing

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan hoe de SIP-berichten worden afgehandeld in een router met SIP.

  • Ingeschakeld: wanneer het systeem een SIP-reactie ontvangt op een REGISTER-aanvraag met koptekst Via waarin de parameter voor received is opgenomen, past het basisstation de contactgegevens aan op het IP-adres in de received-parameter. Bijvoorbeeld “Via: SIP/2.0/UDP 10.1.1.1:4540;received=68.44.20.1”. Het basisstation geeft nog een REGISTER-aanvraag uit met de bijgewerkte contactgegevens.

  • Uitgeschakeld: de received-parameter wordt genegeerd.

Registrar

IP-adres, DNS-adres of URL

Identificeert de proxyserver van de SIP-server (gespreksbeheersysteem).

Het poortnummer in het adres is optioneel.

Uitgaande proxy

IP-adres, DNS-adres of URL

Identificeert de sessierandcontroller of de uitgaande proxy van de SIP-server.

Stel de uitgaande proxy in op het adres en de poort van de privé NAT-gateway, zodat SIP-berichten worden verzonden via de NAT-gateway.

Conferentieserver inschakelen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Hiermee bepaalt u het gebruik van de externe conferentieserver.

  • Uitgeschakeld: er is geen externe conferentieserver geconfigureerd. Wanneer de gebruiker een conferentie start, start de handset een conferentie met de interne functie voor conferentie met drie personen.

  • Ingeschakeld: er is een externe conferentieserver geconfigureerd. Wanneer de gebruiker een vergadering start, start de handset een conferentie op de conferentieserver die in het veld Conferentieserver is geconfigureerd.

Conferentieserver

IP-adres

Identificeert het IP-adres van de conferentieserver van de serviceprovider, indien beschikbaar.

Gesprekslogboekserver

IP-adres

Geeft de XSI-gesprekslogserver aan.

Wanneer dit is ingesteld, worden de gesprekslogboeken van de handset opgeslagen op de gesprekslogboekserver. Als dit leeg wordt gelaten, gebruikt de handset het lokale gesprekslogboek.

Tijd(en) opnieuw registreren

Geheel getal

Standaard: 3600

Geeft de tijd in seconden voor een geldige SIP-registratie en geeft de maximale tijd tussen de SIP-registraties voor het SIP-account.

Opmerking

 

We raden aan dat u dit niet onder de 60 seconden instelt.

Interval pogingen opnieuw registreren

Geheel getal

Standaard: 30

Geeft de tijd in seconden aan die moet worden gewacht voordat de handset de registratie opnieuw probeert na een mislukte registratie. Dit wordt gebruikt wanneer het registratiefoutbericht Retry Reg RSC is.

High Rnd-interval pogingen opnieuw registreren

Geheel getal

Standaard: 30

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.1.

Hiermee wordt de hoge waarde van het willekeurige interval aangegeven dat moet worden gewacht voordat de registratie opnieuw wordt uitgevoerd na mislukking tijdens de laatste registratie.

Als de waarde in dit veld groter is dan de waarde in het veld Interval pogingen opnieuw registreren, wordt een willekeurige waarde gekozen tussen deze twee waarden.

Lang interval pogingen opnieuw registreren

Geheel getal

Standaard: 1200

Geeft de tijd in seconden aan die moet worden gewacht voordat de handset de registratie opnieuw probeert na een mislukte registratie. Dit wordt gebruikt wanneer het registratiefoutbericht iets anders dan Retry Reg RSC is.

Als het veld is ingesteld op 0, wordt de registratie niet opnieuw geprobeerd door de handset.

Dit veld moet een groter interval zijn dan de waarde in Interval voor pogingen opnieuw registreren.

Lang High Rnd-interval pogingen opnieuw registreren

Geheel getal

Standaard: 1200

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.1.

Hiermee wordt de hoge waarde van een willekeurig lang interval aangegeven dat moet worden gewacht voordat de registratie opnieuw wordt uitgevoerd. Als de waarde in dit veld groter is dan de waarde in het veld Interval pogingen opnieuw registreren, wordt een willekeurige waarde gekozen tussen deze twee waarden. Als de waarde in dit veld kleiner is dan of gelijk is aan de waarde in het veld Lang interval pogingen opnieuw registreren, wordt de waarde in het veld Lang interval pogingen opnieuw registreren van velden gekozen.

De toegestane waarde is 1 tot 2147483.

Poging opnieuw registreren RSC

Geeft de reactie SIP-code (RSC) aan die een nieuwe poging activeert.

U kunt maximaal 4 door komma's gescheiden waarden instellen en het jokerteken (?) gebruiken. U kunt bijvoorbeeld 5??,6?? invoeren.

Registratie opheffen na failback

Waarden

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Geeft aan of de failover moet worden gestart wanneer de tijd verloopt en de overeenkomstige SIP-transactie mislukt.

Ondersteunde 100rel

Waarden

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

SIP-sessietimers

Waarden

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft het mechanisme voor het actief houden van gesprekken. Dit geeft de maximale tijd tussen de signalen voor sessie vernieuwen. Wanneer de telefoon in gesprek is en deze binnen de geconfigureerde tijd geen signaal verzendt voor sessie vernieuwen, wordt het gesprek beëindigd.

Indien uitgeschakeld worden er geen sessietimers gebruikt.

Waarde(n) voor sessietimer

Geheel getal

Standaard: 1800

Geeft de duur van de tijd in seconden voor de SIP-sessietimer.

SIP Transport (SIP-transport)

Waarden:

  • UDP (standaard)

  • TCP

  • TLS

  • Auto

Geeft het protocol voor SIP-transport aan.

  • UDP: dwing het gebruik van SIP via UDP af. Als een NAPTR-zoekopdracht slaagt en deze resultaten geeft, worden alleen SIP- en UDP-vermeldingen gebruikt.

  • TCP: dwing het gebruik van SIP via TCP af. Als een NAPTR-zoekopdracht slaagt en deze resultaten geeft, worden alleen SIP- en TCP-vermeldingen gebruikt.

  • TLS: dwing het gebruik van TLS via TCP af. Als een NAPTR-zoekopdracht slaagt en deze resultaten geeft, worden alleen SIPS- en TCP-vermeldingen gebruikt.

  • Automatisch: een NAPTR-zoekopdracht moet slagen. Er wordt rekening gehouden met de volgorde (normaal TLS, TCP, UDP) van de vermeldingen van de DNS-NAPTR-zoekopdracht. TLS, TCP en UDP worden allemaal geaccepteerd. SCTP wordt niet geaccepteerd.

Signaal TCP-bronpoort

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of de bronpoort expliciet moet worden gesignaleerd in de SIP-berichten.

Wanneer het SIP-transport is ingesteld op TCP of TLS, wordt er een verbinding tot stand gebracht voor elk SIP-toestelnummer. De bronpoort van de verbinding wordt gekozen door de TCP-stack en de lokale SIP-poortparameter wordt niet gebruikt.

Eén TCP-verbinding per SIP-toestelnummer gebruiken

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan hoe TCP-of TLS-verbindingen worden gebruikt.

Wanneer TCP of TLS wordt gebruikt voor SIP-transport, zijn er twee opties voor verbindingen:

  • Uitgeschakeld: elk basisstation heeft een enkele TCP- of TLS-verbinding die de handsets delen.

  • Ingeschakeld: elke lijn heeft een afzonderlijke TCP- of TLS-verbinding.

    Opmerking

     

    U moet dit veld instellen op Ingeschakeld om meerdere reacties op een NAPTR- of SRV-zoekopdracht af te handelen.

RTP van eigen basisstation

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan dat er een RTP-stroom wordt verzonden.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de Cisco IP DECT 210 basisstation met meerdere cellen.

  • Uitgeschakeld: de RTP-stroom wordt verzonden vanuit het basisstation dat is gekoppeld aan de handset.

  • Ingeschakeld: de RTP-stroom wordt verzonden vanuit het basisstation waar de SIP-registratie zich bevindt.

Stel dit veld in op Ingeschakeld voor systemen met één basisstation.

Actief houden

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of de poort van de relevante NAT-router gedurende 30 seconden open wordt gehouden.

Toestelnummer weergeven op het inactieve scherm van de handset

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of het inactieve scherm van de handset het toestelnummer weergeeft.

Wachtgedrag

Waarden:

  • RFC 3264

  • RFC 2543 (standaard)

Geeft aan hoe de wachtrij werkt op de handset.

  • RFC 3264: het gedeelte van SDP met verbindingsinformatie bevat het IP-adres van het eindpunt en het kenmerk voor richting is alleen verzenden, recvonly of inactief, op basis van de context.

  • RFC 2543: het gedeelte van de SDP met verbindinginformatie is ingesteld op 0.0.0.0 en het kenmerk voor richting is alleen verzenden, recvonly of inactief, op basis van de context.

Lokale terugbeltoon

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Bepaalt of de beltoon lokaal wordt gegenereerd door de handset.

  • Uitgeschakeld: de handset genereert de beltoon niet.

  • Ingeschakeld (standaard): de handset genereert de beltoon.

Extern beheer van de beltoon

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of het gespreksbeheersysteem de beltoon voor de handset kan kiezen.

  • Uitgeschakeld (standaard): het gespreksbeheersysteem kan geen beltonen kiezen.

  • Ingeschakeld: het gespreksbeheersysteem kan beltonen kiezen.

Gedrag voor begeleid doorverbinden

Waarden:

  • Tweede gesprek in wacht plaatsen

  • Tweede gesprek niet in wacht plaatsen

Geeft aan of het tweede gesprek in de wacht wordt geplaatst tijdens begeleid doorverbinden.

Wanneer er twee gesprekken zijn en één gesprek in de wacht staat, is het mogelijk begeleid door te verbinden. Wanneer er op de schermtoets Doorverbinden wordt gedrukt, wordt gewoonlijk het actieve gesprek in de wacht geplaatst voordat het SIP REFER-verzoek wordt verzonden. Sommige PBX-systemen verwachten niet dat het tweede gesprek in de wachtstand wordt geplaatst en daarom mislukt begeleid doorverbinden.

  • Tweede gesprek in wacht plaatsen: het tweede gesprek wordt in de wacht geplaatst.

  • Tweede gesprek niet in wacht plaatsen: het tweede gesprek wordt niet in de wacht geplaatst.

Prioriteit van eigen codec gebruiken

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft de prioriteit van de codec voor inkomende oproepen aan.

  • Uitgeschakeld: gebruik de prioriteit van de bellende partij.

  • Ingeschakeld: gebruik de prioriteit van de systeemcodec.

Bijvoorbeeld, als het is ingeschakeld en het basisstation heeft G722 als de bovenste codec en de bellende partij heeft Alaw boven aan de lijst en G722 verder omlaag, wordt de G722-codec voor het gesprek gekozen.

DTMF-signalering

Waarden:

  • SIP INFO

  • RFC 2833 (standaard)

  • RFC 2833 en SIP INFO

Bepaalt hoe DTMF wordt afgehandeld.

  • SIP INFO: DTMF-tonen worden in dezelfde laag afgehandeld als de spraakstroom.

  • RFC 2833: DTMF-tonen worden in gegevenspakketten verzonden in andere internetlagen dan de spraakstroom.

  • RFC 2833 en SIP INFO: DTMF-tonen worden in dezelfde of in andere lagen afgehandeld.

DTMF-payloadtype

Geheel getal

Standaard: 101

Geeft het type van de DTMF-payload als het veld DTMF-signalering is ingesteld op RFC 2833.

Bronprioriteit Nummerweergave verwijderen

Waarden:

  • PAI - FROM (standaard)

  • FROM

  • ALERT_INFO - PAI - FROM

Bevat SIP-informatie die wordt gebruikt voor de bron van de nummerweergave.

Onaangekondigd doorverbinden inschakelen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of direct doorverbinden kan worden gebruikt.

Gespreksstatistieken in SIP

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Geeft aan of de gesprekskwaliteit naar het gespreksbeheersysteem is verzonden.

Codecprioriteit

Maximumaantal codecs is 5

Waarden, een of meer van:

  • G711A

  • G711U

  • G722

  • G726

  • G729

  • OPUS

Identificeert de codeprioriteit die basisstations gebruiken voor audiocompressie en -transmissie. U kunt de volgorde van de codecs wijzigen.

Als u de OPUS wilt weergeven in de lijst, klikt u op Codecs opnieuw instellen.

Opmerking

 

Als u de lijst op enigerlei wijze wijzigt, moet u drukken op Codecs opnieuw instellen op deze pagina en Keten opnieuw opstarten op de pagina Meerdere celen.

Vanaf de firmwarerelease 4.7 worden alleen de eerste vijf codecs in de lijst gebruikt.

G729 Annex B

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de G729 bijlage B wordt gebruikt.

Ptime gebruiken

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of de parameter RTP-pakketgrootte wordt gebruikt.

RTP Packet Size (RTP-pakketgrootte)

Waarden:

  • 20 ms (standaard)

  • 40 ms

  • 60 ms

  • 80 ms

Geeft de gewenste RTP-pakketgrootte aan wanneer de pakketgrootte wordt bepaald.

RTCP

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of RTCP wordt gebruikt.

Veilige RTP

Waarden:

  • Optioneel

  • Vereist

  • Auto

Hier wordt het type RTP aangegeven dat moet worden gebruikt.

  • Optioneel: geeft aan dat het systeem met SRTP en RTP kan verzenden en ontvangen.

  • Vereist: geeft aan of RTP is gecodeerd met AES-128 met de sleutel die is bepaald in het SDP-protocol bij het instellen van het gesprek.

  • Auto: geeft de mediabeveiliging aan die nodig is om RTP of SRTP te gebruiken. Als SRTP wordt gebruikt, wordt RTP geblokkeerd. Wanneer het systeem SRTP gebruikt, wordt de gesprekscapaciteit verminderd. Als het veld SIP-transport is ingesteld op Automatisch, wordt aanbevolen dit veld in te stellen op deze optie.

    Deze optie wordt toegevoegd voor de firmwarerelease 4.8.

Beveiligde RTP-verificatie

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of beveiligde RTP verificatie van RTP-pakketten gebruikt.

Opmerking

 

Indien ingeschakeld kan een basisstation maximaal 4 gelijktijdige gesprekken ondersteunen.

SRTP crypto suites

Waarden:

  • AES_CM_128_HMAC_SHA1_32

  • AES_CM_128_HMAC_SHA1_80

Geeft de lijst met ondersteunde SRTP Crypto Suites. Elk apparaat begint met twee suites. U kunt de volgorde van de suites wijzigen.

Opmerking

 

Als u de lijst op enigerlei wijze wijzigt, moet u drukken op Crypto suites opnieuw instellen op deze pagina.

Mediabeveiliging

Waarden:

  • Ingeschakeld

  • Uitgeschakeld

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.8.

Bestuurt de mediabeveiliging.

  • Ingeschakeld: door de client geïnitieerde modus - de telefoon initieert de onderhandelingen over mediabeveiliging.

  • Uitgeschakeld: door de server geïnitieerde modus - de server initieert de onderhandelingen over mediabeveiliging. De telefoon start geen onderhandelingen, maar kan onderhandelings verzoeken van de server afhandelen om veilige gesp rekken tot stand te brengen.

Mediabeveiliging alleen voor TLS

Waarden:

  • Ingeschakeld

  • Uitgeschakeld

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.8.

Bepaalt de mediabeveiliging alleen als het SIP-overdrachtsprotocol TLS is.

Verificatie hersynchroniseren opnieuw opstarten

Waarden:

  • Ingeschakeld (standaard)

  • Uitgeschakeld

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.0.

Ingeschakeld: geeft aan dat de verificatie vereist is voor SIP-melding als de gebeurtenis reset-ipei-for-handset of check-sync is en het protocol niet TLS is.

Reversed Auth Realm (Omgekeerde verificatierealm)

Tekenreeks

Maximaal 64 tekens

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.0.

Geeft de server aan die door het handset-toestelnummer wordt gebruikt.

Webpaginavelden Netwerk

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Netwerkinstellingen van het basisstation.

Tabel 7. Velden in de sectie IP-instellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

DHCP/vaste IP

Waarden:

  • DHCP (standaard)

  • Static

Geeft de methode die het apparaat gebruikt om TCP/IP-parameters te verkrijgen.

  • DHCP: automatisch toegewezen uit een groep adressen. Als u DHCP gebruikt, kunnen de andere IP-instellingen of opties niet worden ingesteld.

  • Vast: handmatig ingesteld.

IP-adres

Geeft het IPv4-adres van het apparaat.

Kan alleen worden gewijzigd als DHCP niet is ingeschakeld.

Subnetmasker

Geeft het 32-bits subnetmasker van het apparaat.

Kan alleen worden gewijzigd als DHCP niet is ingeschakeld.

Standaardgateway

Geeft het IPv4-adres van de standaardnetwerkrouter of de gateway.

Kan alleen worden gewijzigd als DHCP niet is ingeschakeld.

Via DHCP-prioriteit

IPv4

DNS (primair)

Geeft het IPv4-adres van de hoofdserver die wordt gebruikt voor DNS-query's (Domain Name System).

Verplicht als DHCP niet wordt gebruikt.

Kan alleen worden gewijzigd als DHCP niet is ingeschakeld.

DNS (secundair)

Geeft de alternatieve DNS-server.

Kan alleen worden gewijzigd als DHCP niet is ingeschakeld.

MDNS

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of MDNS (Multicast Domain Name System) beschikbaar is.

Kan alleen worden gewijzigd als DHCP niet is ingeschakeld.

Tabel 8. Velden in de sectie NAT-instellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

STUN inschakelen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of RFC3489-STUN (Session Traversal UDP for NAT) wordt gebruikt.

STUN-server

IPv4-adres of de URL

Geeft de locatie van de STUN-server.

STUN Bindtime Determine

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Bepaalt of het basisstation de STUN bindtime detecteert vanuit de NAT-bindings.

  • Uitgeschakeld: NAT-bindings kunnen niet worden gebruikt

  • Ingeschakeld: NAT-bindings kunnen worden gebruikt.

STUN Bindtime Guard

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 80

Identificeert de geldigheidsduur van de STUN-binding.

RPORT inschakelen

Waarde:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de RPORT wordt gebruikt in de SIP-berichten.

Tijd Actief houden

Geheel getal

Bereik: 0-65535

Standaard: 90

Bepaalt de frequentie van de berichten voor actief houden (in seconden) op de server om NAT-bindings te behouden.

Tabel 9. Velden in de sectie VLAN-instellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Id

Geheel getal

Bereik: 0 – 4094

Standaard: 0

Identificeert de 802.1Q VLAN.

Gebruikersprioriteit

Geheel getal

Bereik: 0 – 7

Standaard: 0

Definieert de gebruikersprioriteit. Deze waarden kunnen worden gebruikt om klassen verkeer (spraak, video, data) prioriteit te geven.

  • 0: best effort

  • 1: laagste prioriteit

  • 7: hoogste prioriteit

Synchronisatie

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of de VLAN-id automatisch synchroniseert tussen de basisstations in de keten.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de Cisco IP DECT 210 basisstation met meerdere cellen.

Tabel 10. Velden in de sectie SIP-/RTP-instellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Verschillende SIP-poorten gebruiken

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft de SIP-signaleringspoorten.

  • Uitgeschakeld: het veld lokale SIP-poort geeft de bronpoort die in het systeem wordt gebruikt voor SIP-signalering.

  • Ingeschakeld: het veld lokale SIP-poort geeft de bronpoort die wordt gebruikt voor de eerste gebruikersagent (UA). De volgende UA's krijgen opeenvolgende poorten.

Stel dit veld in op Ingeschakeld voor systemen met één basisstation.

RTP-conflictdetectie

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

  • Uitgeschakeld: wanneer twee bronnen dezelfde SSRC hebben, wordt de tweede bron verwijderd.

  • Ingeschakeld: het apparaat accepteert alle bronnen.

Altijd opnieuw opstarten na controlesynchronisatie

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of het basisstation opnieuw opstart wanneer een nieuwe configuratie wordt geladen.

Modus uitgaande proxy

Waarden:

  • Altijd gebruiken (standaard)

  • Alleen eerste aanvraag

Geeft het gebruik van de uitgaande proxy aan.

  • Altijd gebruiken: alle uitgaande gesprekken worden verzonden naar de uitgaande proxy.

  • Alleen eerste aanvraag: alleen de uitgaande proxy gebruiken voor de eerste SIP-aanvragen.

Failover-SIP-timer B

Geheel getal

Standaard: 5

Geeft aan hoe lang moet worden gewacht op een INVITE-bericht van de SIP-server voordat failover wordt gestart.

Failover-SIP-timer F

Geheel getal

Standaard: 5

Geeft aan hoe lang moet worden gewacht op een non-INVITE-bericht van de SIP-server voordat failover wordt gestart.

Timer voor opnieuw verbinden bij failover

Geheel getal

Standaard: 60

Hiermee bepaalt u de vertraging, in seconden, tussen query's van het basisstation om de primaire server te vinden tijdens failover.

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Lokale SIP-poort

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 5060

Geeft aan bronpoort voor SIP-signalering.

SIP ToS/QoS

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 0x68

Geeft de prioriteit van signaleringsverkeer voor gespreksbeheer, op basis van de ToS-byte (Type of Service) van de IP-laag. ToS is hetzelfde als de QoS (Quality of Service) in netwerken op basis van pakketten.

RTP-poort

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 16384

Geeft de eerste RTP-poort voor gebruik bij RTP-audiostreaming.

Bereik voor RTP-poorten

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 40

Geeft het aantal poorten om te gebruiken voor RTP-audiostreaming.

RTP ToS/QoS

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 0xB8

Geeft de prioriteit van RTP-verkeer, op basis van de ToS-byte van de IP-laag. Voor meer informatie zie RFC 1349.

  • Bits 7-5 definiëren voorrang

  • Bits 4-2 definiëren ToS

  • Bits 1-0 worden genegeerd.

Opmerking

 

De cost-bit wordt niet ondersteund.

Anonieme gesprekken afwijzen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of het gesprek moet worden afgewezen als het anoniem wordt geplaatst.

Tabel 11. Velden van de sectie DHCP-opties

Veld

Inhoud

Beschrijving

Plug-and-Play

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of de base automatisch PBX IP-adressen ontvangt onder de DHCP-optie 66.

Tabel 12. Velden van de sectie TCP-opties

Veld

Inhoud

Beschrijving

Interval voor TCP actief houden

Geheel getal

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 75

Geeft de tijdduur, in seconden, dat de client wacht voordat het een bericht voor actief houden verzendt op een TCP-verbinding.

Tabel 13. Velden van de sectie Discovery

Veld

Inhoud

Beschrijving

LLDP-MED verzenden

Waarden:
  • Ingeschakeld (standaard)

  • Uitgeschakeld

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Regelt het gebruik van Link Layer Discovery Protocol (LLDP) op het basisstation.

Als deze optie is ingeschakeld, verzendt het basisstation 5 LLDP-MED-berichten nadat het is gestart.

Vertraging voor LLDP-MED-verzending

Geheel getal

Bereik:

Standaard: 30

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Geeft de tijdsduur in seconden aan dat het apparaat wacht tussen LLDP-MED-berichten.

Opmerking

 

De optie LLDP-MED moet zijn ingeschakeld om deze optie te kunnen gebruiken.

CDP verzenden

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Regelt het gebruik van Cisco Discovery Protocol op het basisstation. Zie voor meer informatie over CDP: Netwerkprotocollen.

  • Uitgeschakeld: het basisstation verzendt geen CDP-berichten.

  • Ingeschakeld: het basisstation verzendt CDP-berichten.

Vertraging CDP verzenden

Geheel getal

Bereik: 1 – 255

Standaard: 60

Geeft de tijdsduur in seconden aan dat het apparaat wacht tussen CDP-berichten.

Webpaginavelden Beheer

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Beheerinstellingen van het basisstation.

Tabel 14. Webpaginavelden Beheerinstellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Naam basisstation

1-35 tekens

Geeft de naam van het basisstation.

Tabel 15. Velden in de sectie Instellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Management Transfer Protocol

Waarden:

  • TFTP (standaard)

  • HTTP

  • HTTPS

Geeft het transferprotocol dat is toegewezen aan het configuratiebestand en de centrale telefoonlijst.

Uploadscript voor HTTP-beheer

map of pad

Geeft de locatie voor de configuratiebestanden op de configuratieserver.

Dit veld moet beginnen met slash (/) of backslash (\).

Dit veld is alleen beschikbaar wanneer het Management Transfer Protocol is ingesteld op HTTP of HTTPS.

Gebruikersnaam voor HTTP-beheer

Reeks van 8 tekens

Geeft de gebruikersnaam voor toegang tot de configuratieserver.

Dit veld is alleen beschikbaar wanneer het Management Transfer Protocol is ingesteld op HTTP of HTTPS.

Wachtwoord voor HTTP-beheer

Reeks van 8 tekens

Geeft het wachtwoord voor toegang tot de configuratieserver.

Dit veld is alleen beschikbaar wanneer het Management Transfer Protocol is ingesteld op HTTP of HTTPS.

Knop Fabrieksinstellingen herstellen van

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Geeft aan of de resetknop op het basisstation kan worden gebruikt. Indien ingesteld op uitgeschakeld, gebeurt er niets wanneer er op de resetknop wordt gedrukt.

Tabel 16. Velden in de sectie Tekstberichten

Veld

Inhoud

Beschrijving

Tekstberichten

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

  • Ingeschakeld zonder server

Geeft aan of gebruikers tekstberichten kunnen verzenden naar andere apparaten die tekstberichten ondersteunen.

  • Uitgeschakeld: gebruikers kunnen geen tekstberichten verzenden.

  • Ingeschakeld: gebruikers kunnen tekstberichten naar iedereen verzenden. Hiervoor is vereist dat de overige velden in dit gebied worden ingesteld.

  • Ingeschakeld zonder server: gebruikers kunnen alleen tekstberichten verzenden naar andere leden van het systeem.

Server voor tekstberichten & alarm

IP-adres of URL

Geeft het IP-adres of de URL van de server voor tekstberichten en alarm. Stel de adressen in om het mogelijk te maken dat gebruikers tekstberichten uitwisselen met mensen buiten uw systeem.

Als u dit veld leeg laat, kunnen gebruikers alleen communiceren binnen het systeem.

Poort voor tekstberichten

Standaard: 1300

Geeft de serverpoort die wordt gebruikt voor tekstberichten en alarm. Stel de poort in om het mogelijk te maken dat gebruikers tekstberichten uitwisselen met mensen buiten uw systeem. De waarde van dit veld is afhankelijk van de tekstberichtenserver.

Als u dit veld leeg laat, kunnen gebruikers alleen communiceren binnen het systeem.

Tekstberichten actief houden (m)

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 30

Geeft de frequentie van de berichten voor actief houden in minuten.

Reactie(s) tekstberichten

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 30

Geeft de time-out als het systeem geen reactie van de berichtenserver ontvangt. Dit veld is in seconden.

TTL tekstberichten

Bereik: 0 – 65535

Standaard: 0

Geeft de TTL-tijd (time to live) van de tekstberichten in seconden. Als dit is ingesteld, wordt het bericht alleen weergegeven voor de geconfigureerde tijdsduur. Het bericht wordt nadat dit verlopen is automatisch verwijderd.

De standaardwaarde 0 betekent dat het bericht niet verloopt.

Tabel 17. Sectievelden Terminal

Veld

Inhoud

Beschrijving

Actief houden (m)

Geheel getal

Standaard: 0

Geeft de tijdsduur in minuten dat de handset wacht voordat deze een automatische noodmelding naar de server verzendt.

Wanneer dit is ingesteld op 0, verzendt de handset geen meldingen.

Alarm automatisch stoppen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de handset de automatische noodmelding moet stoppen.

  • Uitgeschakeld: de handset stopt de melding niet.

  • Ingeschakeld: de handset stopt de melding na het aantal seconden dat is ingesteld bij de vertraging alarm automatisch stoppen.

Vertraging alarm automatisch stoppen (s)

Geheel getal

Standaard: 30

Geeft de tijd (in seconden) voordat de handset de automatische noodmelding stopt.

Tabel 18. Velden in de sectie Configuratie

Veld

Inhoud

Beschrijving

Configuratiebestand downloaden

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Bestand per basisstation (standaard)

  • Bestand voor meerdere cellen

  • Bestand per basisstation en voor meerdere cellen

Geeft het type configuratiebestand voor het basisstation.

  • Uitgeschakeld: geen bestand verwacht

  • Bestand per basisstation: basisstation verwacht een bestandsnaam in deze indeling:

    <mac address>.cfg

  • Bestand voor meerdere cellen: het basisstation verwacht een bestandsnaam in deze indeling:

    <chain id>.cfg

  • Bestand per basisstation en voor meerdere cellen: het basisstation verwacht een bestandsnaam in de volgende indelingen:

    • <mac address>.cfg

    • <chain id>.cfg

Adres configuratieserver

https://ciscoserver.com

Identificeert de server of het apparaat dat het configuratiebestand levert aan het basisstation.

Opmerking

 

De configuratieserver en het basisspecifieke bestand, het specifieke bestand voor meerdere cellen of het specifieke bestand voor twee cellen vormen de combinatie van deze profielregel. Als de configuratieserver bijvoorbeeld https://cisco.sipflash.com is en het specifieke bestand voor meerdere cellen $MA.xml is, is het resultaat <Profile_Rule> https://cisco.sipflash.com/$MA.xml</Profile_Rule>. U kunt deze profielregel in de indeling weergeven als u het tabblad Configuratie op de basisweb-UI bekijkt.

Bestand per basisstation

[macaddress].xml

Identificeert de naam van het configuratiebestand voor de basis.

Bestand voor meerdere cellen

MultiCell_[chainid].cfg

Identificeert het configuratiebestand voor systemen met meerdere cellen. De bestandsnaam is de keten-id.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Specifiek bestand voor twee cellen

MultiCell_[chainid].cfg

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Identificeert het configuratiebestand voor systemen met twee cellen. De bestandsnaam is de keten-id.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 110 basisstation met enkele cel.

Peilen voor automatisch hersynchroniseren

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Bepaalt de mogelijkheid om naar nieuwe configuratiebestanden te zoeken voor automatische synchronisatie.

  • Uitschakelen: geen automatische synchronisatie

  • Inschakelen: automatische synchronisatie is ingeschakeld.

Tijd automatisch hersynchroniseren

uu:mm

Standaard: 00:00

Maximum: 23:59

Geeft de tijd (volgens 24-uursnotering) waarop het basisstation het configuratiebestand probeert te hersynchroniseren.

Dit veld is beschikbaar wanneer de automatische-Resync-polling is ingeschakeld.

Dagen automatisch hersynchroniseren

Minimum: 0

Maximum: 364

Geeft het aantal dagen tussen bewerkingen voor hersynchronisatie.

Dit veld is beschikbaar wanneer de automatische-Resync-polling is ingeschakeld.

Maximale vertraging voor automatisch hersynchroniseren (min)

Standaard: 15

Minimum: 0

Maximum: 1439

Geeft de tijdsvertraging, in seconden. Stel verschillende vertragingstijden in voor elk basisstation om te voorkomen dat ze tegelijk nieuwe configuratiebestanden opvragen.

Dit veld is beschikbaar wanneer de automatische-Resync-polling is ingeschakeld.

Configuratieserver met DHCP-besturing

Identificeert de configuratieserver.

Prioriteit DHCP-optie

Standaard: 66, 160, 159, 150, 60

Identificeert de prioriteit van de DHCP-opties.

Tabel 19. Velden in de sectie Syslog/SIP-logboek

Veld

Inhoud

Beschrijving

Uploaden van SIP-logboek

Waarden

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of SIP-foutopsporingsberichten van een laag niveau worden opgeslagen op de server. SIP-logboeken worden opgeslagen in de bestandsindeling:

<MAC_address><Time_stamp>SIP.log

Syslog-niveau

Waarden

  • Uit

  • Normaal bedrijf (standaard)

  • Systeemanalyse

  • Debug

Identificeert het niveau van logberichten op systeemniveau die worden opgeslagen op de syslog-server.

  • Uitgeschakeld: geen berichten worden opgeslagen

  • Normaal bedrijf: normaal bericht voor: operationele gebeurtenissen, inkomende oproepen, uitgaande gesprekken, handsetregistratie, DECT-locatie, gesprek verloren als gevolg van het bezet, kritieke systeemfouten en algemene systeeminformatie.

  • Systeemanalyse: legt logbestanden vast voor handsetroaming, status van firmware-updates voor de handset. Het niveau systeemanalyse bevat ook de berichten van normaal bedrijf.

  • Foutopsporing: legt logboeken vast voor het oplossen van problemen

    Opmerking

     

    Schakel logboeken voor foutopsporing niet in tijdens normaal bedrijf. Deze logboeken kunnen ervoor zorgen dat het systeem trager wordt.

TLS-beveiliging

Waarden

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Bestuurt TLS 1.2-beveiliging.

  • Uitgeschakeld: systeem gebruikt geen TLS 1.2.

  • Ingeschakeld: systeem gebruikt TLS 1.2.

IP-adres van Syslog-server

IP-adres of URL

Geeft het adres van de Syslog-server.

Poort Syslog-server

0–xx

Standaard: 514

Geeft de poort van de Syslog-server.

De sectie Configuratie -handset (opgehaald na de SIP NOTIFY-aanvraag) is nieuw in de firmwareversie 5.1(1).

Tabel 20. Velden met instellingen voor handset

Veld

Inhoud

Beschrijving

Configuratie van server en bestand

Tekenreeks van maximaal 256 tekens

Definieert de server en het configuratiebestand voor de handsetinstellingen dat u wilt downloaden.

Als het protocol niet is opgegeven in de URL, wordt TFTP gebruikt.

Protocol

Waarden:

  • IPv4

  • IPv6

Geeft het protocol aan voor het downloaden van het configuratiebestand met handsetinstellingen.

Gebruikersnaam

Tekenreeks van maximaal 40 tekens

Geeft de gebruikersnaam voor toegang tot de configuratieserver voor de handset.

Wachtwoord

Tekenreeks van maximaal 40 tekens

Geeft het wachtwoord voor toegang tot de configuratieserver voor de handset.

De sectie Hulpprogramma Probleemrapportage is nieuw in de firmwareversie 5.1(1).

Tabel 21. Hulpprogramma Probleemrapportage

Veld

Inhoud

Beschrijving

Server voor PRT uploaden

Tekenreeks van maximaal 127 tekens

Hiermee wordt de doelserver opgegeven waarop het probleemrapport moet worden geüpload.

U kunt het protocol (optioneel), het serverdomein en de poort (optioneel) invoeren in het veld. Het standaardprotocol is HTTP. De standaardpoort is 80 voor HTTP of 443 voor HTTPS.

Bestandsnaam voor PRT uploaden

Tekenreeks van maximaal 63 tekens

Hiermee wordt de bestandsnaam van het probleemrapport opgegeven. De bestandsextensie is tar.gz.

U kunt $MAC gebruiken in de bestandsnaam waarbij het MAC-adres van het basisstation wordt gebruikt om de bestandsnaam automatisch te genereren in de indeling MAC-%d%m%Y-%H%M%S.tar.gz.

HTTP-header voor PRT uploaden

Tekenreeks van maximaal 63 tekens

Dit veld is optioneel.

Hiermee wordt een header opgegeven voor de uploadaanvraag in HTTP.

Als u de header opgeeft, moet u de waarde voor de HTTP-header invoeren in het veld Waarde van HTTP-header voor PRT uploaden.

Waarde van HTTP-header voor PRT uploaden

Tekenreeks van maximaal 127 tekens

Hiermee wordt een veldwaarde voor de header opgegeven voor de uploadaanvraag in HTTP. U moet de tekst voor de header opgeven om deze waarde in te voeren.

De sectie Ongeordende modus is nieuw in firmwareversie 4.8.

Tabel 22. Sectievelden Ongeordende modus

Veld

Inhoud

Beschrijving

Inschakelen over (min)

Nummer

Hier wordt de tijd aangegeven voor het basisstation in de Ongeordende modus.

Time-out voor Ongeordende modus over

Dit veld is Alleen-lezen.

Hier wordt de resterende tijd aangegeven voor het deregistreren van de handsets.

Tabel 23. Velden in de sectie Alarmnummers

Veld

Inhoud

Beschrijving

Lijst met nummers

Geeft de beschikbare alarmnummers.

HELD company ID (HELD bedrijfs-id)

Tekenreeks van maximaal 48 tekens

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Hiermee wordt de account-id van het HELD bedrijf aangegeven.

Primary HELD server (Primaire HELD-server)

Tekenreeks van maximaal 128 tekens

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Geeft de primaire server aan voor aanvragen voor locatietokens.

Secondary HELD server (Secundaire HELD-server)

Tekenreeks van maximaal 128 tekens

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Geeft de secundaire server aan voor aanvragen voor locatietokens.

De sectie Handset toewijzen aan toestel via referenties (HEBU) is nieuw in firmwareversie 5.1(1).

Tabel 24.

Veld

Inhoud

Beschrijving

Handset toewijzen aan toestel via referenties (HEBU)

Waarden:
  • Ingeschakeld

  • Uitgeschakeld (standaard)

Geeft aan of de modus HEBU is ingeschakeld.

Het basisstation kan niet tegelijkertijd worden ingesteld in de ongeordende modus en de modus HEBU.

De sectie parameters voor meerdere paginggroepen is nieuw in firmware versie 4.8.

Tabel 25. Parameters voor meerdere paginggroepen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Pagingscript groep 1-3

Tekenreeks van maximaal 128 tekens

Voor meer informatie zie Paging configureren

Webpaginavelden Firmware-update

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Firmware-update van het basisstation.


Opmerking


We raden aan dat u eerst het basisstation bijwerkt en vervolgens de handsets bijwerkt nadat het bijwerken van het basisstation is voltooid.


Tabel 26. Webpaginavelden Firmware-update

Veld

Inhoud

Beschrijving

Serveradres Firmware-update

IP-adres of URL

Geeft de locatie van de updateserver (adres TFTP-server).

Firmware-pad

Tekenreeks

Geeft het pad op de updateserver waar de bestanden voor firmware-update worden opgeslagen.

Stel dit veld bijvoorbeeld in op Cisco.

Bestandspad Terminal

Tekenreeks

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.1(1).

Hiermee worden de serverinstellingen en de naam van het taalpakketbestand aangegeven.

Oude firmware-naamgeving inschakelen

Selectievakje

Stadaard: uitgeschakeld

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Hiermee wordt de downgrade van de firmware voor de nieuwste versie van de firmware 4.8(1) SR1 aangegeven.

Type

Basisstations bijwerken

6823

6825

RPT-110-3PC

Geeft de hardware aan:

Basisstations bijwerken: in het veld Firmware wordt de firmwareversie aangegeven om het basisstation bij te werken.

6823: in het veld Firmware wordt de firmwareversie aangegeven voor het bijwerken van de handset. In het veld Language wordt het taalbestand weergegeven om de instellingen van de handset bij te werken.

6825: in het veld Firmware wordt de firmwareversie aangegeven voor het bijwerken van de handset. In het veld Language wordt het taalbestand weergegeven om de instellingen van de handset bij te werken.

RPT-110-3PC: in het veld Firmware wordt de firmwareversie aangegeven om de repeater bij te werken.

Vereiste versie

Reeks van 8 tekens

Geeft de firmware-versie die moet worden bijgewerkt. Wanneer het veld een nul (0) bevat, is de firmware-upgrade uitgeschakeld.

Wanneer u dit veld bijwerkt, zijn er geen nullen nodig voorafgaand aan het versienummer. Dat wil zeggen, als de versie "v0445" is, kunt u de versie invoeren als 445.

Vereiste branch

Reeks van 8 tekens

Geeft branch van de firmware.

Wanneer u dit veld bijwerkt, zijn er geen nullen nodig voorafgaand aan de branch. Dat wil zeggen, als de branch "b003" is, kunt u dit invoeren als 3.

Webpaginavelden Land

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Land-/tijdsinstellingen van het basisstation.

Tabel 27. Webpaginavelden Land-/tijdsinstellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Land selecteren

Lijst van landen

Identificeert het land waar het basisstation zich bevindt.

Staat/regio

Lijst met staten of regio's, op basis van het geselecteerde land

Identificeert de staat of regio waar het basisstation zich bevindt.

Opmerkingen

Tekst

Bevat opmerkingen over de instellingen.

Taal selecteren

Lijst van talen

Geeft de taal voor de webpagina's van het basisstation.

Tijdservice

Tekst

Geeft de gedefinieerde tijdservice weer.

Tijdserver

Tekst

Identificeert de DNS-naam of het IP-adres van de tijdserver op het netwerk.

Opmerking

 

Alleen IPv4-adressen worden ondersteund

Broadcast NTP toestaan

Selectievakje

Standaard: ingeschakeld

Identificeert of de tijdserver moet worden gebruikt voor alle apparaten.

Tijd vernieuwen (h)

Geheel getal (1-24)

Standaard: 24

Identificeert de frequentie waarop het basisstation de tijd (in uren) synchroniseert met de tijdserver.

Tijdzone instellen op land/regio

Selectievakje

Standaard: ingeschakeld

Geeft aan dat het basisstation de instelling voor tijdzone gebruikt die hoort bij de velden voor land en staat/regio in dit scherm.

Wanneer dit selectievakje is ingeschakeld, kunt u enkele van de andere velden in deze tabel niet bijwerken.

Tijdzone

0 of uu: mm

Geeft de tijdzone in GMT- of UTC-indeling.

Minimum: -12:00

Maximum: +13:00

Zomertijd instellen op land/regio

Selectievakje

Standaard: ingeschakeld

Identificeert of de zomertijd voor de staat of regio kan worden gebruikt.

Zomertijd

Waarden

  • Automatisch (standaard)

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld

Geeft aan hoe de zomertijd is geconfigureerd.

  • Automatisch: gebruikt van de instellingen die zijn gekoppeld aan het land.

  • Ingeschakeld: u moet de rest van de velden voor zomertijd instellen.

  • Uitgeschakeld: geen zomertijd vereist.

Zomertijd vast per dag

Waarden:

  • Gebruik maand en dag van de week

  • Gebruik maand en datum

Identificeert hoe de zomertijd wordt beheerd:

  • Gebruik maand en dag van de week: zomertijd begint in een bepaalde maand en op een bepaalde dag van de week. Gebruik deze optie als de zomertijd elk jaar op een andere datum begint.

  • Gebruik maand en datum: zomertijd begint op een specifieke dag van een specifieke maand. Gebruik deze optie als de zomertijd elk jaar op dezelfde dag van de maand begint.

Beginmaand zomertijd

Lijst met maanden

Identificeert de maand waarin de zomertijd begint.

Begindatum zomertijd

Geheel getal 0 – 31

Identificeert de specifieke dag van de maand waarin de zomertijd eindigt. Als dit is ingesteld op 0, wordt de invoer voor Zomertijd begindag van de week gebruikt.

Begintijd zomertijd

Geheel getal 0-23

Identificeert het uur waarin de zomertijd begint.

Zomertijd begindag van de week

Dagen van de week

Identificeert de dag van de week waarop zomertijd begint.

Zomertijd begindag van de laatste week van de maand

Waarden:

  • Eerste in de maand

  • Laatste in de maand

  • Tweede in de maand

  • Voorlaatste in de maand

  • Derde in de maand

Identificeert op welke dag in de maand zomertijd begint.

  • Eerste in de maand: zomertijd begint op de eerste Zomertijd begindag van de week van de maand.

  • Laatste in de maand: zomertijd begint op de laatste Zomertijd begindag van de week van de maand.

  • Tweede in de maand: zomertijd begint op de tweede Zomertijd begindag van de week van de maand.

  • Voorlaatste in de maand: zomertijd begint op de voorlaatste Zomertijd begindag van de week van de maand.

  • Derde in de maand: zomertijd begint op de derde Zomertijd begindag van de week van de maand.

Eindmaand zomertijd

Lijst met maanden

Identificeert de maand waarin de zomertijd eindigt.

Einddatum zomertijd

Geheel getal 0 – 31

Identificeert de specifieke dag van de maand waarin de zomertijd eindigt. Als dit is ingesteld op 0, wordt de invoer voor Zomertijd einddag van de week gebruikt.

Zomertijd eindtijd

Geheel getal 0-23

Identificeert het uur waarin de zomertijd eindigt.

Zomertijd einddag van de week

Dagen van de week

Identificeert de dag van de week waarop zomertijd eindigt.

Zomertijd einddag van de laatste week van de maand

Waarden:

  • Eerste in de maand

  • Laatste in de maand

  • Tweede in de maand

  • Voorlaatste in de maand

  • Derde in de maand

Identificeert op welke dag in de maand zomertijd eindigt.

  • Eerste in de maand: zomertijd eindigt op de eerste Zomertijd einddag van de week van de maand.

  • Laatste in de maand: zomertijd eindigt op de laatste Zomertijd einddag van de week van de maand.

  • Tweede in de maand: zomertijd eindigt op de tweede Zomertijd einddag van de week van de maand.

  • Voorlaatste in de maand: zomertijd eindigt op de voorlaatste Zomertijd einddag van de week van de maand.

  • Derde in de maand: zomertijd eindigt op de derde Zomertijd einddag van de week van de maand.

Webpaginavelden Beveiliging

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Beveiliging van het basisstation.

Tabel 28. Velden in de sectie Apparaatidentiteit

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

Geeft de index van het certificaat.

Uitgegeven aan

Tekenreeks

Geeft de naam van de Certificate Authority (CA) voor het certificaat. De naam is onderdeel van het certificaatbestand.

Uitgegeven door

Tekenreeks

Geeft de organisatie of het bedrijf waarvoor het certificaat is gemaakt. Deze naam is onderdeel van het certificaatbestand.

Geldig tot

mm/dd uu:mm:ss jjjj

Geeft de datum waarop het certificaat verloopt. Deze datum is onderdeel van het certificaatbestand.

Apparaatcertificaat en sleutelpaar importeren: bestandsnaam

Tekenreeks

Hier wordt de bestandsnaam van het geïmporteerde bestand weergegeven.

Tabel 29. Velden in de sectie Vertrouwde servercertificaten

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

Geeft de index van het certificaat.

Uitgegeven aan

Tekenreeks

Geeft de naam van de CA voor het certificaat. De naam is onderdeel van het certificaatbestand.

Uitgegeven door

Tekenreeks

Geeft de organisatie of het bedrijf waarvoor het certificaat is gemaakt. Deze naam is onderdeel van het certificaatbestand.

Geldig tot

mm/dd uu:mm:ss jjjj

Geeft de datum waarop het certificaat verloopt. Deze datum is onderdeel van het certificaatbestand.

Vertrouwde certificaten importeren: bestandsnaam

Hier wordt de bestandsnaam van het geïmporteerde bestand weergegeven.

Tabel 30. Velden in de sectie Vertrouwde basiscertificaten

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

Geeft de index van het certificaat.

Uitgegeven aan

Tekenreeks

Geeft de naam van de CA voor het certificaat. De naam is onderdeel van het certificaatbestand.

Uitgegeven door

Tekenreeks

Geeft de organisatie of het bedrijf waarvoor het certificaat is gemaakt. Deze naam is onderdeel van het certificaatbestand.

Geldig tot

mm/dd uu:mm:ss jjjj

Geeft de datum waarop het certificaat verloopt. Deze datum is onderdeel van het certificaatbestand.

Basiscertificaat importeren: bestandsnaam

Geeft de naam aan van het basiscertificaat dat moet worden geïmporteerd.

Tabel 31. Velden van de sectie strikte certificaatvalidatie

Veld

Inhoud

Beschrijving

Gebruik alleen vertrouwde certificaten

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

  • Uitgeschakeld: accepteert alle certificaten van de-server.

  • Ingeschakeld: hiermee valideert u de certificering van de server en wordt deze in het systeem geladen. Wanneer geen overeenkomend certificaat wordt gevonden, mislukt de TLS-verbinding.

Tabel 32. Velden van de sectie Beveiligde webserver

Veld

Inhoud

Beschrijving

Veilig HTTP

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft het type beveiliging voor de webserver.

  • Uitgeschakeld: u kunt HTTP of HTTPS gebruiken.

  • Ingeschakeld: u kunt alleen HTTPS gebruiken.

De beperkingen voor webwachtwoorden is nieuw in firmwareversie 4.8.

Tabel 33. Sectievelden beperkingen webwachtwoord

Veld

Inhoud

Beschrijving

Minimumlengte (min 1)

Standaard: 4

Hier wordt de minimumlengte van het wachtwoord aangegeven. De minimumlengte is 1 teken en de maximumlengte is 127 tekens.

Alleen ASCII-tekens

Waarden:
  • Ja

  • Nee

Definieert het gebruik van ASCII-tekens in het wachtwoord.

  • Ja: het wachtwoord kan hoofdletters, kleine letters en speciale tekens bevatten. Zie Ondersteunde tekens voor meer informatie. Het wacht woord mag geen spatie bevatten.

  • Nee: wachtwoord kan Unicode-tekens bevatten.

Tabel 34. Velden in de sectie Wachtwoord

Veld

Inhoud

Beschrijving

Gebruikersnaam

Waarden:
  • gebruiker

  • beheerder (standaard)

Geeft de gebruikersnaam aan voor het bijwerken van het wachtwoord.

Beheerderswachtwoord

Tekenreeks van maximaal 128 tekens

Voer het huidige beheerderswachtwoord in om wachtwoordwijzigingen te verifiëren.

Nieuw wachtwoord

Tekenreeks van maximaal 128 tekens

Geldige tekens zijn:

  • 0–9

  • a-z, A-Z

  • @ / | < > - _ : . ? * + #

Wachtwoord bevestigen

Tekenreeks van maximaal 128 tekens

Dit veld en het vorige veld moeten overeenkomen.

Tabel 35. Sectievelden van firewall

Veld

Inhoud

Beschrijving

Firewall

Waarden:
  • Ingeschakeld (standaard)

  • Uitgeschakeld

Maakt stateful firewalls mogelijk en blokkeert ongewenst inkomend verkeer.

Indien uitgeschakeld, accepteert u op alle geopende poorten verkeer.

Geen ICMP-ping

Selectievakje

Indien ingeschakeld, blokkeert de firewall bij inkomende ICMP-echoverzoeken (Ping).

Geen ICMP onbereikbaar

Selectievakje

Indien ingeschakeld, voorkomt de firewall dat het basisstation ICMP-bestemming onbereikbaar verzendt voor UDP-poorten behalve voor het (S)RTP-poortbereik.

Deze instelling is alleen relevant wanneer de poort wordt vertrouwd. Voor een onbetrouwbare poort voorkomt de firewall altijd dat ICMP-bestemming onbereikbaar wordt verzonden.

Geen niet-standaard TFTP

Selectievakje

Indien ingeschakeld, blokkeert de firewall TFTP-verkeer naar alle bestemmingspoorten anders dan standaardpoort 69. Als dit niet is geselecteerd, gebruikt de TFTP-client poortbereik 53240:53245.

Vertrouwd TCP-poortbereik

Decimaalindeling.

Ondersteunt maximaal vijf vertrouwde elementen. Elk element kan een poort of een poortbereik zijn. Spaties zijn niet toegestaan. Meerdere instellingen worden door een komma gescheiden.

Indeling: <port> of <port-from>:<port-to> Voorbeeld: 1000:2000,5000,42000:43000

Geeft aan wat de vertrouwde TCP-poort of het bereik van IPv4 poorten is dat voor inkomende verbindingen is gedefinieerd.

Vertrouwd UDP-poortbereik

Decimaalindeling.

Ondersteunt maximaal vijf vertrouwde elementen. Elk element kan een poort of een poortbereik zijn. Spaties zijn niet toegestaan. Meerdere instellingen worden door een komma gescheiden.

Indeling: <port> of <port-from>:<port-to>

Voorbeeld: 1000:2000,5000,42000:43000

Geeft aan wat de vertrouwde UDP-poort of het bereik van IPv4 poorten is dat voor inkomende verbindingen is gedefinieerd.

Opmerking

 
Als een veld leeg is, worden alle firewallconfiguraties gewist. De firewall heeft standaardinstellingen. Zie voor de standaardinstellingen Standaardpoortinstellingen van firewall.

Webpaginavelden Centrale telefoonlijst

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Centrale telefoonlijst van het basisstation. Het veld Locatie bepaalt de rest van de velden die worden weergegeven.

XSI-webpaginavelden centrale telefoonlijst

Tabel 36. Velden van centrale Broadsoft XSI Server-telefoonlijst

Veld

Inhoud

Beschrijving

Locatie van centraal adresboek

Waarden:

  • Broadsoft XSI-server

  • Local

  • LDAP-server

Identificeert het type centrale telefoonlijst:

  • Broadsoft XSI-server: geeft aan dat er een centrale XSI-telefoonlijst wordt gebruikt (bijvoorbeeld een BroadSoft Directory). Zie "Centrale XSI-telefoonlijst" hieronder.

  • Lokaal: geeft aan dat er een geïmporteerd .csv-bestand (door komma's gescheiden) moet worden gebruikt. Zie "Lokale telefoonlijst" hieronder.

  • LDAP-server: geeft aan dat er een LDAP-telefoonlijst wordt gebruikt. Zie "LDAP-telefoonlijst" hieronder.

Opmerking

 

Wanneer u dit veld wijzigt, wordt het scherm bijgewerkt en worden er andere velden weergegeven, op basis van het type telefoonlijst.

Server

tekenreeks

Hiermee wordt de Broadsoft XSI-server aangeduid.

Tabel 37. Velden Centrale XSI-telefoonlijst: telefoonlijstnamen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Onderneming

Tekenreeks en selectievakje

Hiermee kunt u de tekenreeks Onderneming wijzigen naar een ander label. Bijvoorbeeld, als u dit veld instelt op "Bedrijf", geeft de handset "Bedrijf" weer in plaats van "Onderneming".

Wanneer u het selectievakje inschakelt, wordt de telefoonlijst weergegeven op de pagina Centrale XSI-telefoonlijst.

OndernemingAlgemeen

Tekenreeks en selectievakje

Hiermee kunt u de tekenreeks OndernemingAlgemeen wijzigen naar een ander label.

Wanneer u het selectievakje inschakelt, wordt de telefoonlijst weergegeven op de pagina Centrale XSI-telefoonlijst.

Groep

Tekenreeks en selectievakje

Hiermee kunt u de tekenreeks Groep wijzigen naar een ander label. Bijvoorbeeld, als u dit veld instelt op "Afdeling", geeft de handset "Afdeling" weer in plaats van "Groep".

Wanneer u het selectievakje inschakelt, wordt de telefoonlijst weergegeven op de pagina Centrale XSI-telefoonlijst.

GroepAlgemeen

Tekenreeks en selectievakje

Hiermee kunt u de tekenreeks GroepAlgemeen wijzigen naar een ander label.

Wanneer u het selectievakje inschakelt, wordt de telefoonlijst weergegeven op de pagina Centrale XSI-telefoonlijst.

Privé

Tekenreeks en selectievakje

Hiermee kunt u de tekenreeks Privé wijzigen naar een ander label. Bijvoorbeeld, als u dit veld instelt op "Thuis", geeft de handset "Thuis" weer in plaats van "Privé".

Wanneer u het selectievakje inschakelt, wordt de telefoonlijst weergegeven op de pagina Centrale XSI-telefoonlijst.

Lokale telefoonlijst

Tabel 38. Velden Lokale telefoonlijst

Veld

Inhoud

Beschrijving

Server

IP-adres of URL

Identificeert de server die de telefoonlijst bevat.

Bestandsnaam

Identificeert de bestandsnaam van de telefoonlijst op de server.

Interval voor telefoonlijst opnieuw laden (s)

0–xx

Bepaalt hoe vaak het basisstation de inhoud van de telefoonlijst vernieuwt in seconden. Het vernieuwen gebeurt niet wanneer het veld is ingesteld op 0.

Specificeer een tijd die frequent genoeg is voor de gebruikers, maar niet zo frequent dat het basisstation overbelast raakt.

Tabel 39. Velden in de sectie Centrale telefoonlijst importeren

Veld

Inhoud

Beschrijving

Bestandsnaam

tekenreeks

Hier wordt de naam van de geïmporteerde centrale telefoonlijst weergegeven.

LDAP-telefoonlijst

Tabel 40. Velden Centrale LDAP-telefoonlijst

Veld

Inhoud

Beschrijving

Server

IP-adres of URL

Identificeert de server die het bestand van de telefoonlijst bevat.

TLS-beveiliging

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert de TLS 1.2-beveiliging.

  • Uitgeschakeld: het systeem gebruikt geen TLS 1.2 wanneer het de LDAP-server gebruikt.

  • Ingeschakeld: het systeem gebruikt TLS 1.2 wanneer het de LDAP-server gebruikt.

Poort

Identificeert het serverpoortnummer dat open staat voor LDAP-verbindingen

Zoekbasis

Identificeert de zoekbasiscriteria.

Voorbeeld: CN=gebruikers, DC=nummer, DC=loc

LDAP-filter

Identificeert het zoekfilter.

Voorbeeld: als het veld is ingesteld op (|(givenName=%*)(sn=%*)), gebruikt het systeem dit filter bij het opvragen van invoer van de LDAP-server. % wordt vervangen door de inhoud die de gebruiker invoert tijdens het zoeken. Als een gebruiker dus "J" invoert als zoekcriterium, wordt de volgende tekenreeks verzonden naar de server: (|(givenName=J*)(sn=J*)). De server verzendt de overeenkomende namen of achternamen die met de letter "J" beginnen.

Bind

Identificeert de gebruikersnaam die wordt gebruikt wanneer de telefoon verbinding maakt met de server.

Wachtwoord

Bevat het wachtwoord van de LDAP-server.

Virtuele lijst

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Bepaalt of zoeken in een virtuele lijst mogelijk is.

  • Uitgeschakeld: alle zoekresultaten worden geladen.

  • Ingeschakeld: er worden 25 contactpersonen tegelijk geladen.

Tabel 41. Terminalidentiteit

Veld

Inhoud

Beschrijving

Naam

Waarden:

  • cn

  • an+roepNaam

Geeft aan of de algemene naam of achternaam met de opgegeven naam wordt weergegeven in de LDAP-zoekresultaten.

Werk

Standaard: telefoonNummer

Geeft het LDAP-werknummerkenmerk aan dat is toegewezen aan het werknummer van de handset.

Thuis

Standaard: thuisTelefoon

Geeft het LDAP-thuisnummerkenmerk aan dat is toegewezen aan het thuisnummer van de handset.

Mobiel

Standaard: mobiel

Geeft het LDAP-mobielnummerkenmerk aan dat is toegewezen aan het mobiel nummer van de handset.

Webpaginavelden Twee cellen

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Dual Cell van het basisstation.

Deze pagina wordt alleen weergegeven op de 110 basisstation met enkele cel.

Tabel 42. Status twee cellen

Veld

Beschrijving

Systeeminformatie

Geeft de status van het basisstation in de configuratie met twee cellen.

Laatste pakket ontvangen van IP

Geeft het IP-adres van de laatste communicatie naar het basisstation.

Tabel 43. Instellingen voor deze eenheid

Veld

Inhoud

Beschrijving

Systeem met twee cellen

Waarden:
  • Ingeschakeld (standaard)

  • Uitgeschakeld

Geeft aan of het basisstation deel is van een configuratie met twee cellen.

Als u dit veld wijzigt, moet u op Opslaan en opnieuw opstarten drukken.

Systeemketen-id

Maximaal 10 cijfers

Identificeert de keten van twee cellen. De keten-ID wordt automatisch gegenereerd en kan niet worden gewijzigd. Elke basisstation in de keten gebruikt dezelfde id.

Gegevenssynchronisatie

Waarden:
  • Multicast (standaard)

  • Peer-to-peer

Geeft het type gegevenssynchronisatie.
  • Multicast: hiervoor moet Multicast/IGMP zijn ingeschakeld op het gespreksbeheersysteem.

    • Het poortbereik en de IP-adressen die worden gebruikt voor multicast worden berekend op basis van de keten-id.

    • De multicast-functie gebruikt poortbereik: 49200 tot 49999.

    • Het IP-bereik van de multicast-functie: 224.1.0.0 tot 225.1.0.0

    • Multicast gebruikt UDP.

  • Peer-to-peer — gebruik deze modus wanneer het netwerk geen Multicast toestaat.

Voor multicast-bewerking schakelt u multicast/IGMP in op uw switches. Gebruik anders de peer-to-peer modus.

Primaire IP voor gegevenssynchronisatie

IP-adres

Geeft IP-adres voor gegevenssynchronisatie van het basisstation.

Wanner gegevenssynchronisatie is ingesteld op multicast wordt deze basis-IP automatisch geselecteerd.

De gegevenssynchronisatiefunctie gebruikt poortbereik: 49200 tot 49999.

Wanneer gegevenssynchronisatie is ingesteld op peer-to-peer, moet het IP-adres voor de basis dat wordt gebruikt als bron voor gegevenssynchronisatie worden gedefinieerd.

Time-out voor vervanging van basisstation (15-255 min.)

Standaard: 60 minuten

Geeft de time-out aan voor het vervangen van een basisstation.

Foutopsporing voor twee cellen

  • Geen

  • Gegevenssynchronisatie

  • Automatische boomstructuur

  • Beide (standaard)

Geeft het niveau aan van de foutopsporingsinformatie van het systeem met twee cellen die in de logs is opgeslagen.
  • Geen (standaard): geen foutopsporingsinformatie.

  • Gegevenssynchronisatie: koptekstinformatie voor alle ontvangen pakketten wordt opgeslagen en verzonden voor het oplossen van speciale problemen.

    Opmerking

     

    Met deze instelling worden veel logboeken gegenereerd, dus gebruik deze voor een korte periode tijdens foutopsporing.

  • Automatische boomstructuur: staten en gegevens worden opgeslagen met betrekking tot de functie Automatische configuratie van de boomstructuur.

  • Beide: zowel gegevenssynchronisatie als automatische boomstructuur zijn ingeschakeld.

    Opmerking

     

    Met deze instelling worden veel logboeken gegenereerd, dus gebruik deze voor een korte periode tijdens foutopsporing.

Nadat u het veld voor Systeem met twee cellen hebt ingesteld op Ingeschakeld en het basisstation opnieuw hebt opgestart, verschijnt een bericht op de pagina.

Webpaginavelden Meerdere cellen

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Meerdere cellen van het basisstation.

Deze pagina wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Tabel 44. Velden van meerdere cel Status sectie

Veld

Beschrijving

Systeeminformatie

Geeft de huidige status van het basisstation in de configuratie met meerdere cellen.

Laatste pakket ontvangen van IP

Geeft het IP-adres van de laatste communicatie naar het basisstation.

Tabel 45. Veld in de sectie Instellingen voor deze unit

Veld

Inhoud

Beschrijving

Systeem met meerdere cellen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of het basisstation deel is van een configuratie met meerdere cellen.

Als u dit veld wijzigt, moet u op Opslaan en opnieuw opstarten drukken.

Systeemketen-id

512 (standaard)

Maximaal 5 cijfers

Identificeert de keten van meerdere cellen. Elke basisstation in de keten gebruikt dezelfde id.

Opmerking

 

We raden aan dat u geen keten-id gebruikt die lijkt op een toestelnummer.

Synchronisatietijd (s)

Waarden:

  • 30

  • 60 (standaard)

  • 90

  • 120

  • 150

  • 180

  • 240

  • 270

  • 300

Geeft de periode in seconden tussen de synchronisatie-aanvragen door de basisstations in de keten.

Gegevenssynchronisatie

Waarden:

  • Multicast (standaard)

  • Peer-to-peer

Geeft het type gegevenssynchronisatie.

  • Multicast: hiervoor moet Multicast/IGMP zijn ingeschakeld op het gespreksbeheersysteem.

    • Het poortbereik en de IP-adressen die worden gebruikt voor multicast worden berekend op basis van de keten-id.

    • De multicast-functie gebruikt poortbereik: 49200 tot 49999

    • Het IP-bereik van de multicast-functie: 224.1.0.0 tot 225.1.0.0

    • Multicast gebruikt UDP.

  • Peer-to-peer — gebruik deze modus wanneer het netwerk geen Multicast toestaat. Zie Webpaginavelden LAN Sync.

Primaire IP voor gegevenssynchronisatie

IP-adres

Geeft IP-adres voor gegevenssynchronisatie van het basisstation.

Met multicast wordt deze basis-IP automatisch geselecteerd.

De gegevenssynchronisatiefunctie gebruikt poortbereik: 49200 tot 49999

Opmerking

 

Met peer-to-peer-modus MOET het IP-adres voor de basis dat wordt gebruikt als bron voor gegevenssynchronisatie worden gedefinieerd.

Opmerking

 

Wanneer peer-to-peer-modus wordt gebruikt met een versie onder V306 wordt de automatische herstelfunctie van het systeem beperkt. Er is geen automatisch herstel van de gegevensbron voor synchronisatie in peer-to-peer-modus.

Foutopsporing bij meerdere cellen

Waarden:

  • Geen (standaard)
  • Gegevenssynchronisatie

  • Automatische boomstructuur

  • Beide

Geeft het niveau waarop van foutopsporingsinformatie voor meerdere cellen wordt opgeslagen in de logboeken.

  • Geen (standaard): geen gegevens worden opgeslagen
  • Gegevenssynchronisatie: koptekstinformatie voor alle ontvangen pakketten wordt opgeslagen en verzonden voor het oplossen van speciale problemen.

    Opmerking

     

    Met deze instelling worden veel logboeken gegenereerd, dus gebruik deze voor een korte periode tijdens foutopsporing.

  • Automatische boomstructuur: staten en gegevens worden opgeslagen met betrekking tot de functie Automatische configuratie van de boomstructuur.

  • Beide: zowel gegevenssynchronisatie als automatische boomstructuur zijn ingeschakeld.

    Opmerking

     

    Met deze instelling worden veel logboeken gegenereerd, dus gebruik deze voor een korte periode tijdens foutopsporing.

Nadat u het veld voor Systeem met meerdere cellen hebt ingesteld op Ingeschakeld en het basisstation opnieuw hebt opgestart, verschijnt volgend bericht op het display.

Tabel 46. DECT-systeeminstellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

RFPI-systeem

Hier wordt de radio-identiteit die alle de basisstations gebruiken weergegeven voor het systeem met meerdere cellen.

Boomstructuur voor DECT-synchronisatiebron automatisch configureren

Waarden

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Bepaalt de mogelijkheid om het systeem met meerdere cellen te synchroniseren.

  • Uitgeschakeld: als het oorspronkelijke primaire basisstation niet kan worden bereikt, gaat het systeem verder zonder primair basisstation om mee te synchroniseren.

  • Ingeschakeld: als het oorspronkelijke primaire basisstation niet kan worden bereikt, neemt een ander basisstation het over als primair basisstation.

Meerdere primaire basisstations toestaan

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Hiermee kunt u systemen op meerdere locaties instellen.

Automatisch meerdere primaire basisstations maken

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Tabel 47. Basisstationinstellingen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Aantal SIP-accounts voor gedistribueerde load

SIP-serverondersteuning voor meerdere registraties per account

Waarden

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Systeemcombinatie (aantal basisstations/repeaters per basisstation)

Tabel 48. Basisstationgroep

Veld

Inhoud

Beschrijving

Id

Een indexnummer voor Alleen-lezen.

RPN

Geeft het RPN (Radio Fixed Part Number) van het basisstation. De RPN van elk basisstation is uniek.

Versie

Geeft de firmware-versie.

MAC-adres

Bevat het MAC-adres van het basisstation.

IP-adres

Bevat het IP-adres van het basisstation.

IP-status

Waarden:

  • Verbonden

  • Verbinding verloren

  • Deze unit

Geeft de status van het basisstation.

  • Verbonden: het basisstation is online.

  • Verbinding verloren: het basisstation is niet op het netwerk.

  • Deze unit: het basisstation waarover informatie wordt weergegeven.

DECT-synchronisatiebron

Bevat informatie over de keten met meerdere cellen.

DECT-eigenschap

Waarden

  • Primair

  • Vergrendeld

  • Zoeken

  • Vrije uitvoering

  • Onbekend

  • Begeleid vergrendelen

  • Synchroniseren Verbroken

Geeft de status van het basisstation.

  • Primair: het basisstation is het primaire basisstation en alle andere basisstations synchroniseren met dit basisstation.

  • Vergrendeld: het basisstation is gesynchroniseerd met het primaire basisstation.

  • Zoeken: het basisstation probeert te synchroniseren met het primaire basisstation.

  • Vrije uitvoering: het basisstation heeft de synchronisatie met het primaire basisstation verloren.

  • Onbekend: er is geen verbindingsinformatie.

  • Begeleid vergrendelen: het basisstation kan niet via DECT synchroniseren met het primaire basisstation en gebruikt Ethernet om te synchroniseren.

  • Synchroniseren Verbroken: geeft aan dat het basisstation synchronisatie heeft verloren maar dat er een actief gesprek is op een gekoppelde handset. Wanneer het gesprek is voltooid, probeert het basisstation te synchroniseren.

Naam basisstation

Geeft de naam van het basisstation die is toegewezen op de pagina Beheer.

De sectie DECT-keten geeft de hiërarchie van basisstations weer in een grafische vorm.

Webpaginavelden LAN Sync

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina LAN Sync van het basisstation.

Deze pagina wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Tabel 49. Instellingen voor synchronisatie van IEEE1588 LAN

Veld

Inhoud

Beschrijving

IEEE1588

Waarden:
  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Ingeschakeld: geeft aan dat LAN-synchronisatie wordt gebruikt. Hieronder worden de netwerkvereisten vermeld voor LAN-synchronisatie:
  • Sync Master- en Sync Slave-basisstations ondersteunen maximaal 3 Ethernet-switches in cascade.
  • Wij adviseren en ondersteunen alleen switches die voldoen aan de IEEE1588 Ethernet-synchronisatievereisten.

  • Alle basisstations moeten verbinding maken met een toegewezen DECT VLAN.

  • DECT VLAN in alle switches die verbinding maken met de DECT-infrastructuur, moet worden geconfigureerd met de hoogste prioriteit.

  • De backbone-netwerkbelasting mag niet groter zijn dan 50 procent van de totale linkcapaciteit.

  • De Ethernet-switch moet DSCP gebruiken als QoS-parameter.

  • Het netwerk moet multicastdatagrammen van IEEE1588 ondersteunen.

Webpaginavelden Stercodes

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Stercodes van het basisstation.

Tabel 50. Webpaginavelden Stercodes

Veld

Code

Beschrijving

Terugbellen

Standaard: 69

Kies deze stercode om een nummer terug te bellen.

Onaangekondigd doorverbinden

Standaard: 88

Kies deze code om een gesprek door te verbinden zonder overleg.

Alle gesprekken doorverbinden activeren

Standaard: 72

Kies deze stercode om alle gesprekken door te verbinden.

Alle gesprekken doorverbinden deactiveren

Standaard: 73

Kies deze stercode om de gesprekken opnieuw op de telefoon binnen te laten komen.

Wachtende oproep activeren

Standaard: 56

Kies deze stercode om de toon voor wachtend gesprek in te schakelen.

Wachtende oproep deactiveren

Standaard: 57

Kies deze stercode om de toon voor wachtend gesprek uit te schakelen.

Nummerweergave op uitgaande gesprekken blokkeren activeren

Standaard: 67

Kies deze stercode om de nummerweergave niet te verzenden bij uitgaande gesprekken.

Nummerweergave op uitgaande gesprekken blokkeren deactiveren

Standaard: 68

Kies deze stercode om de nummerweergave opnieuw te verzenden bij uitgaande gesprekken.

Anonieme inkomende oproepen blokkeren activeren

Standaard: 77

Kies deze stercode om oproepen zonder nummerweergave te blokkeren.

Anonieme inkomende oproepen blokkeren deactiveren

Standaard: 87

Kies deze stercode om oproepen zonder nummerweergave opnieuw te ontvangen.

Niet storen activeren

Standaard: 78

Kies deze stercode om gesprekken niet op de telefoon binnen te laten komen.

Niet storen deactiveren

Standaard: 79

Kies deze stercode om gesprekken op de telefoon binnen te laten komen.

Webpaginavelden Gespreksvoortgangstonen

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Gespreksvoortgangstonen van het basisstation.

Standaardgespreksvoortgangstonen verschillen per regio. Wanneer u het land voor uw systeem instelt, worden de standaardtonen voor uw land op deze pagina weergegeven.

Tabel 51. Velden in de sectie Gespreksvoortgangstonen

Veld

Beschrijving

Dial Tone (Kiestoon)

Vraagt de gebruiker om een telefoonnummer in te voeren.

Outside Dial Tone (Externe kiestoon)

Alternatief voor de kiestoon. De gebruiker moet een extern telefoonnummer invoeren, in plaats van een intern toestelnummer. Dit wordt gestart door een komma (,) in het nummerplan.

Prompt Tone (Instructietoon)

Vraagt de gebruiker om een doorschakelnummer in te voeren.

Busy Tone (Bezettoon)

Afgespeeld wanneer een 486 RSC voor een uitgaand gesprek is ontvangen.

Reorder Tone (Herkiestoon)

Afgespeeld wanneer een uitgaand gesprek is mislukt of nadat de andere kant tijdens een bestaand gesprek heeft ophangen. De herkiestoon wordt automatisch afgespeeld wanneer voor kiestoon of een van de alternatieven een time-out optreedt.

Waarschuwingstoon van de haak

Afgespeeld na een bepaalde tijdsperiode wanneer de handset van de telefoon van de haak is.

Ring Back Tone (Terugbeltoon)

Wordt afgespeeld tijdens een uitgaand gesprek wanneer de andere kant overgaat.

Call Waiting Tone (Toon wachtend gesprek)

Afgespeeld wanneer een gesprek wacht.

Confirm Tone (Bevestigingstoon)

Een korte toon om de gebruiker te melden dat de laatste invoerwaarde is geaccepteerd.

Holding Tone (Wachtstand toon)

Informeert de lokale beller die de andere kant het gesprek in de wacht heeft geplaatst.

Conference Tone (Conferentietoon)

Voor alle partijen afgespeeld wanneer een drierichtingsconferentiegesprek wordt uitgevoerd.

Page Tone (Pagingtoon)

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.8.

Wordt afgespeeld op alle handsets wanneer het basisstation een pagingbericht ontvangt.

Ritmische beltoon

Dit veld is nieuw voor Firmware versie 5.1.3

Er werd een unieke toon afgespeeld als dit was geconfigureerd voor binnenkomende gesprekken, waarschuwingstoon voor oplader en oplaadtoon.

Als u bijvoorbeeld deze volgorde voor het beltoonritme invoert, kunt u dit harde belgeluid horen:

600@-19,1000@-19;*(.05/0/1,.05/0/2)

Webpaginavelden Nummerplannen

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Nummerplannen van het basisstation.

Tabel 52. Webpaginavelden Nummerplannen

Veld

Beschrijving

Idx

Geeft het indexnummer van het nummerplan aan (gebruikt op de pagina Velden van de webpagina Terminal).

Nummerplan

Bevat de definitie van een nummerplan.

Idx

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Geeft het indexnummer van het beller-id.

Overzicht beller-id

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 5.1(1).

Bevat de definitie van een beller-id.

Lokale gespreksgroepen

Dit zijn de velden die worden weer gegeven om lokale gespreksgroepen toe te voegen of te bewerken.

Deze webpagina is nieuw voor firmwareversie 5.1(1)

Tabel 53. Velden op de webpagina Lokale gespreksgroepen

Veld

Inhoud

Beschrijving

Lijnnaam

Tekenreeks

Lengte: 1 tot 7 tekens

Indiceert de naam van de lijn voor inkomende en uitgaande gesprekken.

Toestel

Cijferreeks

Geeft het telefoonnummer aan.

Het toestelnummer moet worden geconfigureerd op de SIP-server voordat de handset gesprekken kan starten en ontvangen.

De toestelnummer wordt op het hoofdscherm van de handset weergegeven.

Verificatie gebruikersnaam

Tekenreeks

Identificeert de gebruikersnaam die aan de handset is toegewezen in het gespreksbeheersysteem. De naam kan maximaal 128 tekens hebben.

Wachtwoord verificatie

Tekenreeks

Identificeert het wachtwoord van de gebruiker op het gespreksbeheersysteem. Het wachtwoord kan maximaal 128 tekens hebben.

Weergavenaam

Tekenreeks

Identificeert de naam die bij het toestelnummer wordt weergegeven.

Deze naam wordt weergegeven op het hoofdscherm direct onder de datum en tijd.

XSI-gebruikersnaam

Tekenreeks

Identificeert de gebruikersnaam voor de BroadSoft XSI-telefoonlijst. De naam kan maximaal 128 tekens hebben.

XSI-wachtwoord

Tekenreeks

Identificeert het wachtwoord voor de BroadSoft XSI-telefoonlijst. Het wachtwoord kan maximaal 128 tekens hebben.

Postvaknaam

Tekenreeks

Identificeert de gebruikersnaam voor het voicemailsysteem.

Postvaknummer

Cijferreeks

Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Geeft het nummer dat voor het voicemailsysteem moet worden gekozen. Dit nummer moet zijn ingeschakeld op de SIP-server.

Server

Vervolgkeuzelijst met IP-adressen

Duidt op het adres van de SIP-server of het gespreksbeheersysteem.

De functie Wachtend gesprek

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Identificeert of Wachtend gesprek beschikbaar is op de telefoon.

BroadWorks-weergave voor gedeeld gesprek

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert of de lijn wordt gedeeld

Alleen van toepassing op BroadSoft SIP-servers. Moet zijn ingeschakeld op de SIP-server.

BroadWorks-functie gebeurtenispakket

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert of het BroadWorks-pakket beschikbaar is. Functies omvatten: niet storen (NST), gesprek doorschakelen (alle, bezet en geen antwoord).

Alleen van toepassing op BroadSoft SIP-servers. Moet zijn ingeschakeld op de SIP-server.

Nummer voor onvoorwaardelijk doorschakelen van gesprekken

(2 velden)

Cijferreeks:

  • Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert:

  • Of gesprekken onvoorwaardelijk doorschakelen beschikbaar is.

  • Welk nummer er moet worden gekozen wanneer er een inkomende oproep wordt ontvangen voor de handset.

Van toepassing op alle inkomende oproepen.

Nummer voor doorschakelen bij geen antwoord

(3 velden)

Cijferreeks:

  • Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Tijd in seconden:

  • Tussen 0 en 255

  • Standaard 90

Identificeert:

  • Of gesprek doorschakelen bij geen antwoord beschikbaar is.

  • Welk nummer er moet worden gekozen wanneer er een inkomende oproep wordt ontvangen voor de handset en deze niet wordt beantwoord.

  • Hoe lang er moet worden gewacht, in seconden, voordat het gesprek wordt beschouwd als niet beantwoord.

Van toepassing op alle niet-beantwoorde gesprekken.

Nummer voor doorschakelen bij bezet

(2 velden)

  • Geldige inhoud is 0 – 9, *, #

Functiestatus:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Identificeert:

  • Of gesprek doorschakelen bij bezet beschikbaar is.

  • Welk nummer er moet worden gekozen als de handset bezet is. Een handset is bezet wanneer er al 2 gesprekken zijn (een actief en een in de wacht).

Is van toepassing wanneer de handset zich in een bestaand gesprek bevindt.

Anonieme gesprekken afwijzen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de handset gesprekken zonder beller-id moet afwijzen.

Nummer verbergen

Waarden:
  • Uit

  • Aan voor volgende oproep

  • Always-on

Geeft aan of een handset een oproep kan doen zonder nummerweergave.

Niet storen

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de gebruiker de modus Niet storen kan inschakelen.

Webpaginavelden Repeaters

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Repeaters van het basisstation.

Tabel 54. Webpaginavelden Repeaters

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de index van de repeater.

RPN

Dit veld is Alleen-lezen

Hier wordt het nummer van de repeater aangegeven.

Naam/IPEI

Dit veld is Alleen-lezen

Hier worden de geconfigureerde naam en het IPEI van de repeater aangegeven.

DECT-synchronisatiebron

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft het basisstation aan waarmee de repeater communiceert.

DECT-synchronisatiemodus

Dit veld is Alleen-lezen

Hier wordt het type synchronisatie met het basisstation aangegeven.

Status

Dit veld is Alleen-lezen

Hier wordt de status van de repeater aangegeven.

  • Uitgeschakeld: de repeater is niet geconfigureerd voor communicatie met de basis.

  • Ingeschakeld: de repeater is geconfigureerd voor communicatie met de basis.

Info type/FW

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de firmware-versie van de repeater.

FWU-voortgang

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de status van de firmware-update (FWU):

  • Uit: geeft aan dat het veld voor sw-versie is ingesteld op 0 op de pagina Firmware-update.

  • Initialiseren: geeft aan dat het updateproces is gestart.

  • X%: geeft de voortgang van de update aan, waarbij X de hoeveelheid voortgang is (0-100)

  • X% verifiëren: geeft aan dat de firmware wordt geverifieerd voordat deze wordt gebruikt.

  • Conn.term.wait: geeft aan dat de firmware-update van de repeater is voltooid en dat de repeater nu opnieuw wordt ingesteld.

  • Voltooid: geeft aan dat de firmware-update is voltooid.

  • Fout: geeft aan dat de update niet is gelukt. Mogelijke oorzaken:

    • Bestand is niet gevonden.

    • Bestand is niet geldig.

Webpaginavelden Repeaters toevoegen of bewerken

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Repeater van het basisstation. Deze pagina wordt weergegeven wanneer u een repeater toevoegt of de configuratie van een repeater wijzigt.

Tabel 55. Webpaginavelden Repeater

Veld

Inhoud

Beschrijving

Naam

Tekenreeks

Aanduiding voor de naam van de repeater. Deze kunt u het best de naam van een locatie geven

DECT-synchronisatiemodus

Keuze:

  • Handmatig

  • Lokaal automatisch

Hier wordt het registratietype voor de repeater aangegeven.

  • Handmatig: u moet handmatig parameters toewijzen.

  • Lokaal automatisch: de repeater detecteert het basissignaal en wordt automatisch geconfigureerd.

RPN

Keuze:

  • FOUT

  • RPNxx

Geeft het RPN voor de repeater aan.

  • FOUT: de repeater selecteert de eerste beschikbare sleuf op het basisstation.

  • RPNxx: de repeater selecteert de geconfigureerde sleuf op het basisstation.

DECT-synchronisatiebron

Lijst met beschikbare RPN's

Identificeert de RPN's die beschikbaar zijn op de basisstations.

Webpaginavelden Alarm

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Alarm van het basisstation.

Tabel 56. Webpaginavelden Alarm

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

cijfer

Geeft het indexnummer van het alarm.

Profielalias

Tekenreeks

Identificeert de naam van het alarm.

Alarmtype

Waarden:

  • Alarmknop

  • Uitgeschakeld (standaard)

Identificeert het type alarm van de knop Noodgeval.

Alarmsignaal

Waarden:

  • Bericht

  • Bellen

  • Bakenbericht

Geeft aan hoe het alarm signaleert wanneer de handset de alarmknop (Noodgeval) activeert.

  • Bericht: er wordt een tekstbericht verzonden naar de alarmserver.

  • Oproep: er wordt een uitgaand gesprek naar het opgegeven noodnummer geplaatst.

Alarm van handset stoppen

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Identificeert of de handset het alarm kan annuleren.

Triggervertraging

Cijfer 0 – 255

Identificeert de wachttijd in seconden voordat de handset een waarschuwing voorafgaand aan het alarm weergeeft.

  • 0: er wordt geen waarschuwing voorafgaand aan een alarm weergegeven; het alarm wordt onmiddellijk verzonden.

  • Overig: de tijdsduur dat de waarschuwing voorafgaand aan het alarm wordt weergegeven. Wanneer het aantal seconden is verstreken, wordt het alarm verzonden. Het kan enkele seconden duren voordat het alarm is verzonden naar de geconfigureerde locatie.

Voorafgaand alarm van handset stoppen

Waarden:

  • Uitgeschakeld

  • Ingeschakeld (standaard)

Identificeert of de gebruiker een alarm kan stoppen.

Vertraging voorafgaand alarm

Cijfer 0 – 255

Geeft de vertraging tussen de tijd dat het voorafgaand alarm wordt weergegeven en het moment dat het alarm wordt uitgezonden.

Gieren

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Geeft aan of de handset een gierend signaal moet starten. Indien uitgeschakeld, wordt alleen het gespreks- of berichtsignaal verzonden.

Webpaginavelden Statistieken

De webpagina statistieken heeft een aantal statistiekweergaven:

  • Systeem

  • Gesprekken

  • Repeater (niet gebruikt)

Elke pagina bevat informatie waarmee u kunt begrijpen hoe uw systeem wordt gebruikt en waarmee u problemen vroeg kunt identificeren.

Webpaginavelden Systeem

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de koppeling Systeem op de webpagina Statistieken van het basisstation.

Tabel 57. Webpaginavelden Statistieken: systeem

Veld

Beschrijving

Naam basisstation

Bevat het IP-adres en de naam van de basis. De laatste rij van de tabel bevat de som van alle voorgaande rijen in de tabel. Als er slechts één basisstation in het systeem is, wordt alleen de overzichtsrij weergegeven.

Bedrijf/duur

D-U:M:S

Geeft de tijd sinds de laatste keer opnieuw opstarten en de cumulatieve bedrijfstijd sinds de laatste reset van de statistieken of de laatste firmware-upgrade.

DECT-bedrijf

D-U:M:S

Identificeert de tijd dat het DECT-protocol actief was.

Bezet

Bevat het aantal keren dat het basisstation bezet was (geen actieve gesprekken meer kon afhandelen).

Bezetduur

D-U:M:S

Geeft de cumulatieve tijd die het basisstation bezet was.

SIP mislukt

Geeft het aantal keren dat een SIP-registratie is mislukt.

Terminal verwijderd

Geeft het aantal keren dat een handset is gemarkeerd als verwijderd.

Zoeken

Geeft het aantal keren dat het basisstation moest zoeken naar de bron voor synchronisatie.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Vrije uitvoering

Geeft het aantal keren dat een basisstation de gegevens niet heeft gesynchroniseerd met de synchronisatiebron.

Als deze status vaak wordt gestart, moet u mogelijk de configuratie van uw basisstation wijzigen. Zie Statussen basisstation voor meer informatie.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Bron gewijzigd

Geeft het aantal keren dat het basisstation de bron voor synchronisatie heeft gewijzigd.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Webpaginavelden Gesprekken

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de koppeling Gesprekken op de webpagina Statistieken van het basisstation.

Tabel 58. Webpaginavelden Gesprekken

Veld

Beschrijving

Naam basisstation

Bevat het IP-adres en de naam van de basis. De laatste rij van de tabel bevat de som van alle voorgaande rijen in de tabel. Als er slechts één basisstation in het systeem is, wordt alleen de overzichtsrij weergegeven.

Bedrijf/duur

D-U:M:S

Geeft de tijd sinds de laatste keer opnieuw opstarten en de cumulatieve bedrijfstijd sinds de laatste reset van de statistieken of de laatste firmware-upgrade.

Aantal

Geeft het aantal gesprekken weer dat op het basisstation is afgehandeld.

Geweigerd

Geeft het aantal actieve gesprekken die zijn verloren. Elk verloren gesprek resulteert in een syslog-vermelding.

Een voorbeeld van een verloren gesprek is wanneer een gebruiker zich op een actief gesprek bevindt en vervolgens buiten bereik van het basisstation loopt.

Noodoproepen

Hier wordt het totale aantal noodoproepen weergegeven.

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Gesprek wordt verbroken vanwege noodoproep

Hier wordt het totale aantal verbroken gesprekken vanwege noodoproepen weergegeven.

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Geweigerde noodoproepen

Hier wordt het totale aantal geweigerde noodoproepen weergegeven.

Dit veld is nieuw voor firmwarerelease 4.7.

Geen antwoord

Geeft het aantal gesprekken weer waarbij niet is gereageerd op een inkomende oproep vanwege hardwareproblemen. Elk gesprek resulteert in een syslog-vermelding.

Een voorbeeld van een gesprek met geen antwoord is wanneer een externe gebruiker probeert een handset te bellen die niet binnen het bereik van het basisstation is.

Duur

D-U:M:S

Hier wordt de totale tijd weergegeven dat gesprekken op het basisstation actief zijn.

Actief

Geeft het aantal handsets weer die op dit moment actief zijn op het basisstation.

Max. actief

Geeft het maximumaantal gesprekken die op hetzelfde moment actief waren.

Codec

G711U:G711A:G729:G722:G726:OPUS

Geeft het aantal keren dat elke codec is gebruikt in de gesprekken.

Poging tot overdracht geslaagd

Geeft het aantal geslaagde overdrachten.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Poging tot overdracht afgebroken

Geeft het aantal mislukte overdrachten.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Audio niet gedetecteerd

Geeft het aantal keer dat een audioverbinding niet tot stand is gebracht.

Webpaginavelden Repeater

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de koppeling Repeater op de webpagina Statistieken van het basisstation.

Tabel 59. Webpaginavelden Repeater

Veld

Beschrijving

IDX/naam

Bevat de naam en index van de repeater. De laatste rij van de tabel bevat de som van alle voorgaande rijen in de tabel. Als er slechts één repeater in het systeem is, wordt alleen de overzichtsrij weergegeven.

Bedienen

D-U:M:S

Geeft de tijd sinds de laatste reset van de statistieken of de laatste firmware-upgrade.

Bezet

Hier wordt het aantal keren weergegeven dat de repeater bezet was.

Bezetduur

D-U:M:S

Hier wordt de tijdsduur weergegeven dat de repeater bezet was.

Max. actief

Geeft het maximumaantal gesprekken die op hetzelfde moment actief waren.

Zoeken

Geeft het aantal keren dat de repeater moest zoeken naar de synchronisatiebron.

herstel

Hier wordt het aantal keren weergegeven dat de repeater geen verbinding kon maken met de synchronisatiebron en is gesynchroniseerd met een andere basis of repeater.

Bron gewijzigd

Geeft het aantal keren dat de repeater de synchronisatiebron heeft gewijzigd.

Breedband

Hier wordt het aantal breedbandgesprekken weergegeven.

Smalband

Hier wordt het aantal smalbandgesprekken weergegeven.

Webpaginavelden Algemene statistieken

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Algemene statistieken van het basisstation.

Elke rij geeft een waarde en een grafiek van de gegevens voor de afgelopen 24 uur.

Tabel 60. Velden DECT-statistieken

Veld

Beschrijving

Totale aantal DLC-exemplaren

Het totale aantal exemplaren tijdens de levensduur van een geïnstalleerd DLC-exemplaar (Data Link Control).

Max. gelijktijdige DLC-exemplaren

De duur van het hoogste aantal gelijktijdige aantallen exemplaren van een DLC-exemplaar.

Huidige aantal DLC-exemplaren

Het huidige aantal exemplaren van de DLC-instanties.

Totale aantal keren max. DLC-exemplaren in gebruik

Het aantal keren dat wij het maximumaantal DLC-exemplaren bereiken.

Totale tijd besteed in max. DLC-exemplaren in gebruik (u:m:s)

De tijd die is besteed aan het hoogste aantal gelijktijdige exemplaren van een DLC-exemplaar.

Gemiddeld frequentie x gebruik dit uur (max. 100 per sleuf)

(waarbij x 0-9 is)

Het gemiddelde gebruik van het frequentienummer x. De waarde is 100 als de frequentie volledig wordt gebruikt door een bepaalde tijd in de gemeten periode.

Gemiddeld even sleufgebruik dit uur (max. 100 per sleuf)

Het gemiddelde gebruik van de even genummerde slots.

Gemiddeld oneven sleufgebruik dit uur (max. 100 per sleuf)

Het gemiddelde gebruik van de oneven genummerde slots.

Percentage tijd van x sleuven gebruikt dit uur

(waarbij x 0-12 is)

Het procentuele tijdgebruik van het x aantal DECT-slots voor het huidige uur.

De procentuele tijd dat het X-aantal DECT-slots worden gebruikt gedurende het opgegeven uur (vergeleken met andere slotaantallen).

Totaal codecgebruik (G.711A, G.711U, G.726, G.729)

Hier wordt weer gegeven welke codec is gebruikt. Het aantal keren dat we de RTP-stream instantiëren met een van beide codecs.

Dit veld is niet beschikbaar voor firmwarerelease 4.7.

Totaal CHO geslaagd

Het aantal keren dat de Connection-handover is geslaagd.

Totaal aantal geforceerde PP verplaatsingen

Het totale aantal keer dat dit basisstation geforceerd PP verplaatst.

De DECT-synchronisatiestatistieken worden alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Tabel 61. Velden DECT-synchronisatiestatistieken

Veld

Beschrijving

Huidige synchronisatiestatus

De huidige SYNC-status van DECT. Bijvoorbeeld master, zoeken, vrij actief, enzovoort.

Huidige synchronisatieketen

De huidige FP-synchronisatie bron-id van dit basisstation.

Tijdstempel van de laatst gewijzigde synchronisatieketen

Tijdstempel van de laatste keer dat de DECT-synchronisatiebron voor dit basisstation is gewijzigd.

Aantal wijzigingen in de synchronisatieketen per uur

Het aantal keer dat de DECT-synchronisatiebron in het afgelopen uur voor dit basisstation is gewijzigd.

Totaal aantal wijzigingen in de synchronisatieketen

Het totale aantal keer dat dit basisstation de DECT-synchronisatiebron heeft gewijzigd.

Totale tijd in synchronisatiestatus: master (u:m:s)

De tijdsduur in het afgelopen uur dat de synchronisatiestatus van het basisstation Master was.

Totale tijd in synchronisatiestatus: vergrendeld (u:m:s)

De tijdsduur in het afgelopen uur dat de synchronisatiestatus van het basisstation vergrendeld was.

Totale tijd in synchronisatiestatus: vrije uitvoering (u:m:s)

De tijdsduur in het afgelopen uur dat de synchronisatiestatus van het basisstation vrij actief was.

Totale tijd in synchronisatiestatus: vergrendeld, assistentie

De tijdsduur in het afgelopen uur dat de synchronisatiestatus van het basisstation Geassisteerd vergrendeld was.

Totale tijd in synchronisatiestatus: synchronisatie verbroken (u:m:s)

De tijdsduur in het afgelopen uur dat de synchronisatiestatus van het basisstation verloren was.

Totale tijd in synchronisatiestatus: zoeken (u:m:s)

De tijdsduur in het afgelopen uur waarop het basisstation bezig was met het zoeken naar de bron.

Totale tijd in synchronisatiestatus: onbekend (u:m:s)

De tijdsduur in het afgelopen uur dat de synchronisatiestatus van het basisstation onbekend was.

Laatste gerapporteerde synchronisatieinformatie naar deze basis

Het tijdstip waarop het systeem de synchronisatiegegevens voor het basisstation voor het laatst heeft ontvangen.

Tabel 62. Velden RTP-statistieken

Veld

Beschrijving

Totaal aantal RTP-verbindingen (inclusief informatie over verbindingstype zoals extern, relais, opnemen)

Het totale aantal geïnstantieerde RTP-streams.

Maximumaantal gelijktijdige RTP-verbindingen (inclusief informatie over verbindingstype zoals extern, relais, opnemen)

De duur van het hoogste aantal gelijktijdige aantallen exemplaren van een RTP-streams.

Totale tijd doorgebracht met max. RTP-verbindingen in gebruik (u:m:s)

De tijd die wij hebben besteed aan het hoogste aantal gelijktijdige geïnstantieerde RTP-streams.

Huidige RTP-verbindingen (inclusief informatie over verbindingstype zoals extern, relais, opnemen)

Het huidige aantal geïnstantieerde RTP-streams.

Huidige lokale RTP-verbindingen

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Geeft het aantal actieve RTP-stromen in gebruik.

Huidige lokale relais RTP-verbindingen

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Geeft het aantal actieve RTP-relaisstromen in gebruik.

Huidige externe relais RTP-verbindingen

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Geeft het aantal actieve externe RTP-relaisstromen in gebruik.

Huidige RTP-verbindingen voor opnemen

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Hier wordt het huidige aantal RTP-opnamestromen aangegeven.

Huidige Blackfin DSP-status

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Totaal aantal Blackfin DSP-herstarts

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Dit veld wordt alleen weergegeven op de 210 basisstation met meerdere cellen.

Tabel 63. Velden IP - Stack-statistieken

Veld

Beschrijving

Totaal aantal open verbindingen

Het totale aantal gebruikte sockets.

Max. gelijktijdige open verbindingen

Het totale aantal gelijktijdig gebruikte sockets.

Huidige open verbindingen

Het huidige aantal gebruikte sockets.

Totaal aantal tx-berichten

Het totale aantal doorgestuurde IP-pakketten.

Totaal aantal rx-berichten

Het totale aantal ontvangen IP-pakketten.

Totaal aantal tx-fouten

Het totale aantal opgetreden fouten tijdens het verzenden van IP-pakketten.

Tabel 64. Velden Systeemstatistieken

Veld

Beschrijving

Tijd actief (u:m:s)

De totale tijdsduur continue werking van het basisstation.

Huidige CPU-load

Het huidige belastingspercentage van de CPU. Deze gegevens worden om de 5 seconden vernieuwd.

Huidig Heap-gebruik

Het huidige gebruik van de heap in bytes.

Max. Heap-gebruik (%)

Het piekgebruik van de heap in percentages.

E-mailwachtrij ROS_SYSLOG

De grootte van de interne mailwachtrij voor syslogs.

E-mailwachtrij ROS_x

(waarbij x 0-5 is)

De grootte van de interne mail wachtrij.

Webpaginavelden Diagnostische gegevens

De webpagina Diagnostische gegevens heeft deze weergaven:

  • Basisstations

  • Toestellen

  • Vastleggen

Elke pagina bevat informatie waarmee u kunt begrijpen hoe uw systeem wordt gebruikt en waarmee u problemen vroeg kunt identificeren.

Basisstation

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de koppeling Basisstations op de webpagina Diagnostische gegevens van het basisstation.

Tabel 65. Webpaginavelden Basisstations

Veld

Beschrijving

Naam basisstation

Geeft het IP-adres en de naam van het basisstation vanuit de beheerinstellingen. De laatste rij van de tabel bevat de som van alle voorgaande rijen in de tabel. Als er slechts één basisstation in het systeem is, wordt alleen de overzichtsrij weergegeven.

Actieve DECT Ext

(Mm/Ciss/CcOut/CcIn)

Geeft het aantal actieve verbindingen met toestelnummers in het basisstation.

  • Mm: mobiliteitsmanagement

  • Ciss: aanvullende service onafhankelijk van het gesprek (Call Independent Supplementary Service)

  • CcOut: gespreksbesturing uit (Call Control Out)

  • CcIn: gespreksbesturing in (Call Control In)

Actieve DECT Rep

(Mm/Ciss/CcOut/CcIn)

Geeft het aantal verbindingen met repeaters in het basisstation.

  • Mm: mobiliteitsmanagement

  • Ciss: aanvullende service onafhankelijk van het gesprek (Call Independent Supplementary Service)

  • CcOut: gespreksbesturing uit (Call Control Out)

  • CcIn: gespreksbesturing in (Call Control In)

Actieve RTP

(Lcl/Rx BC)

Geeft het aantal actieve RTP-stromen in gebruik.

  • Lcl: lokale RTP-stroom

  • Rx BC: broadcast/receive RTP-stroom

Actieve Relay RTP

(Lokaal/Extern)

Geeft het aantal actieve relay-stromen.

  • Lokaal: lokale RTP relay-stroom

  • Extern: externe RTP relay-stroom

Latentie [ms]

(Gem.min/Gemiddeld/Gem.max)

Geeft de latentie van de ping tussen het basisstation.

  • Gem.min: gemiddelde minimale vertraging

  • Gemiddeld: gemiddelde vertraging

  • Gem.max: gemiddelde maximale vertraging

Toestellen

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de weergave Toestelnummer van de webpagina Diagnostische gegevens van het basisstation.

Tabel 66. Webpaginavelden Toestelnummers

Veld

Beschrijving

Idx

Geeft het indexnummer van het toestelnummer.

Aantal keer HS opnieuw opstarten

Geeft het aantal keren dat de handset opnieuw is opgestart.

Laatste keer HS opnieuw opstarten (dd/mm/jjjj uu:mm:ss)

Geeft de datum en tijd van de laatste keer dat de handset opnieuw is opgestart.

Vastleggen

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de weergave Vastleggen van de webpagina Diagnostische gegevens van het basisstation.

Tabel 67. Webpaginavelden Vastleggen

Veld

Beschrijving

Interne tracering RSX

Geeft aan of interne tracering is uitgeschakeld of ingeschakeld.

Interne tracering PCAP

Pakketten naar/van deze basis traceren (behalve audio)

Audiopakketten naar/van deze basis traceren

Ontvangen broadcastpakketten traceren

Ontvangen IPv4-multicastpakketten traceren

Ontvangen pakket traceren met bestemmings-MAC tussen (vergelijk tussen elke byte)

6 paren

Ontvangen Ethertype traceren

3 velden

Ontvangen IPv4-protocol traceren

3 velden

Ontvangen TCP/UDP-poort traceren

3 velden

Info

Dit veld is nieuw in firmwareversie 5.0.

Dit veld is alleen-lezen. Dit veld toont De traces worden opgeslagen in ringbuffers, dus download de traces onmiddellijk nadat het incident heeft plaatsgevonden.

Sporen downloaden van

Klik op de knop Alle basisstations of Huidige basisstations.

Webpaginavelden Configuratie

De webpagina Configuratie van het basisstation geeft een Alleen-lezen versie weer van het configuratiebestand van het basisstation. Het bestand wordt opgeslagen in de /config map van de TFTP-server. Elk basisstation heeft een uniek configuratiebestand, op basis van het MAC-adres.

U kunt op de volgende manieren wijzigingen aanbrengen in een bestand:

  • [Aanbevolen methode] Wijzig de instellingen in de webpagina's van het basisstation en exporteer het bestand voor een back-up.

  • Exporteer het bestand, breng wijzigingen aan en upload het bestand.


Opmerking


Als u ervoor kiest om handmatige wijzigingen aan te brengen, moet u ervoor zorgen dat u alle opmaak behoudt. Anders kan het voorkomen dat de telefoon niet correct wordt ingesteld.


Webpaginavelden Syslog

De Syslog webpagina geeft een live feed van berichten op systeemniveau van het huidige basisstation. Het veld Syslog-niveau op de webpagina Beheer bepaalt de berichten die worden vastgelegd.


Opmerking


Wanneer het basisstation opnieuw is opgestart, begint een nieuwe syslog en raakt de vorige informatie verloren. Als u een probleem hebt en opnieuw wilt opstarten, dient u het syslog-bestand op te slaan op uw computer voordat u opnieuw opstart.


Als het veld Syslog-niveau is ingesteld voor logboeken voor foutopsporing, wordt aanvullende informatie vastgelegd in het syslog. U moet alleen logboeken voor foutopsporing vastleggen gedurende een korte periode, om vastlopen van het systeem te minimaliseren.


Opmerking


U ziet vaak berichten zoals deze:

Verzonden naar udp:xxx.xxx.xxx.xxx:xxxx om mm/dd/jjjj uu:mm:ss (4 bytes), waarbij xxx.xxx.xxx.xxx:xxxx het IP-adres en de poort is, mm/dd/jjjj de datum is en uu:mm:ss de tijd is.

Dit zijn berichten voor actief houden. U kunt ze negeren.


Webpaginavelden SIP-logboek

De webpagina SIP-logboek geeft een live feed weer van SIP-serverberichten van het systeem (één of meerdere cellen). De informatie wordt ook opgeslagen als bestand op de TFTP-server. Logboeken worden opgeslagen in 2 blokken van 17 KB. Wanneer één blok vol is, wordt de andere gebruikt (de eerdere inhoud wordt overschreven).

Bestandsnaam: <MAC_address><time_stamp>SIP.log

Webpagina's voor eerdere firmwarereleases

Velden van de webpagina Toestelnummers voor firmwarerelease V450 en V460

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Toestelnummers van het basisstation.

De pagina wordt weergegeven in de weergaven voor beheerders en gebruikers. Niet alle velden zijn beschikbaar in de weergave voor gebruikers.

Deze sectie is van toepassing op firmwareversie V450 en V460. Voor firmwareversie 4.7, zie Webpaginavelden Toestelnummers.

Tabel 68. Sectie Algemeen

Veld

Inhoud

Beschrijving

AC

4-cijferige numerieke code

Identificeert de toegangscode (AC) voor het basisstation.

Tabel 69. Sectie Toestelnummers

Veld

Inhoud

Beschrijving

Idx

Dit veld is Alleen-lezen.

Geeft het volgnummer van de handset.

IPEI

Geeft het IPEI-nummer (International Portable Equipment Identity), het unieke DECT-identificatienummer van de handset.

Dit veld is een koppeling naar meer informatie over de handset op de pagina Terminal.

De handset kan twee keer voorkomen in de lijst als er twee lijnen aan zijn toegewezen.

Terminalstatus

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de huidige status van de handset:

  • Aanwezig@RPNxx: handset is verbonden met het basisstation RPNxx; waarbij xx het nummer van het basisstation is.

  • Ontkoppeld: handset is niet verbonden (bijvoorbeeld uitgeschakeld).

  • Gevonden: handset is ingeschakeld maar kan geen verbinding maken met het basisstation.

  • Verwijderd@RPNxxx: handset is niet verbonden met het basisstation (niet zichtbaar) gedurende een bepaalde tijd, doorgaans één uur.

Type Terminal, FW-informatie

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft het modelnummer en de firmware-versie van de handset.

FWU-voortgang

Dit veld is Alleen-lezen

Geeft de status van de firmware-update (FWU):

  • Uit: geeft aan dat het veld voor sw-versie is ingesteld op 0 op de pagina Firmware-update.

  • Initialiseren: geeft aan dat het updateproces is gestart.

  • X%: geeft de voortgang van de update aan, waarbij X de hoeveelheid voortgang is (0-100)

  • X% verifiëren: geeft aan dat de firmware wordt geverifieerd voordat deze wordt gebruikt.

  • Wachten op lader: geeft aan dat de firmware-update is voltooid en dat de handset in het oplaadstation moet worden geplaatst om de nieuwe firmware te installeren.

  • Conn.term.wait: geeft aan dat de firmware-update van de repeater is voltooid en dat de repeater nu opnieuw wordt ingesteld.

  • Voltooid: geeft aan dat de firmware-update is voltooid.

  • Fout: geeft aan dat de update niet is gelukt. Mogelijke oorzaken:

    • Bestand is niet gevonden.

    • Bestand is niet geldig.

VoIP Idx

Dit veld is Alleen-lezen

Identificeert de index van het geconfigureerde SIP-toestelnummer.

Toestel

Identificeert het toestelnummer dat is toegewezen aan de handset.

(Alleen beheerdersweergave) Dit veld is een koppeling naar meer informatie over de handset op de pagina Toestelnummer.

Weergavenaam

Dit veld is Alleen-lezen

Identificeert de naam die is toegewezen aan de handset.

Server

Dit veld is Alleen-lezen

Identificeert het IP-adres of de URL van de server.

Serveralias

Dit veld is Alleen-lezen

Identificeert het serveralias, indien geconfigureerd.

Status

Dit veld is Alleen-lezen

Identificeert de SIP-registratiestatus en het basisstation waarop de handset is geregistreerd. Als het veld leeg is, heeft de handset geen SIP-registratie.

Velden van de webpagina Terminal voor firmwarerelease V450 en V460

Dit zijn de velden die worden weergegeven op de webpagina Terminal van het basisstation. Klik op het IPEI-nummer van de handset op de pagina Toestelnummers om dit scherm weer te geven.

De pagina wordt weergegeven in de weergaven voor beheerders en gebruikers. Niet alle velden zijn beschikbaar in de weergave voor gebruikers.

Deze sectie is van toepassing op firmwareversie V450 en V460. Voor firmwareversie 4.7, zie Velden van de webpagina Terminal.

Tabel 70. Velden van de webpagina Terminal

Veld

Inhoud

Beschrijving

IPEI

Reeks van 10 tekens

Bevat het IPEI-nummer (International Portable Equipment Identity) van de handset. Elke handset heeft een uniek IPEI-nummer en dit nummer wordt weergegeven op het etiket onder de handsetbatterij en op het etiket van de handsetdoos.

Als u dit veld wijzigt, wordt registratie van de handset ongedaan gemaakt.

Gekoppelde terminal

Waarden:

  • Geen gekoppelde terminal

  • Handset-id

Geeft de terminal aan die is gekoppeld met de handset.

AC

Code van 4 cijfers

Geeft de toegangscode die is gebruikt om de handset te registreren. Nadat de handset is geregistreerd, wordt deze code niet gebruikt.

Opmerking

 

We raden aan dat u de standaardwaarde wijzigt wanneer u uw systeem begint in te stellen, voor betere beveiliging.

Noodlijn

Waarden:

  • Geen noodlijn geselecteerd

  • Telefoonnummer

Geeft de lijn aan die moet worden gebruikt voor noodoproepen.

Alarmnummer

Telefoonnummer

Geeft het nummer aan dat moet worden gekozen wanneer een gebruiker gedurende drie seconden of langer drukt op de knop Nood op de handset.

Nummerplan-id

Waarden: 1 tot 10

Alleen de beheerdersweergave

Identificeert de index van het nummerplan, geconfigureerd in Webpaginavelden Nummerplannen.

Batterij- en RSSI-status

Batterijniveau

Percentage

Veld alleen-lezen

Geeft het huidige laadniveau van de handsetbatterij weer.

RSSI

Veld alleen-lezen

Hier wordt de indicator voor de ontvangen signaalsterkte (RSSI) voor het verbonden basisstation of de verbonden repeater weergegeven.

Gemeten tijd [mm:ss]

Veld alleen-lezen

Hier wordt de tijd in minuten en seconden weergegeven sinds de batterij- en de RSSI-informatie van de handset zijn vastgelegd.

Gevonden

Veld alleen-lezen

Hier wordt het verbonden basisstation of de verbonden repeater aangegeven waarmee de handset communiceert.

Signaalinstellingen

Ontvangmodus

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Alleen de beheerdersweergave

Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Verzendinterval

Waarden:

  • Uitgeschakeld (standaard)

  • Ingeschakeld

Alleen de beheerdersweergave

Gereserveerd voor toekomstig gebruik.

Alarmprofielen

Profiel 0-7

Alleen de beheerdersweergave

Geeft de lijst met alarmen.

Alarmtype

Naam van het alarm

Alleen de beheerdersweergave

Geeft aan welk alarmtype is geconfigureerd voor het specifieke profiel. Wanneer geen alarmen zijn geconfigureerd, geeft het veld Niet geconfigureerd weer.

Selectievakje alarmtype

Selectievakje (standaard uitgeschakeld)

Alleen de beheerdersweergave

Identificeert het alarmtype dat actief is op de handset.

Instellingen voor weergave gedeeld gesprek

Idx 1-8

Alleen de beheerdersweergave

Index van de toestelnummers

Toestel

Toestelnummer

Alleen de beheerdersweergave

Identificeert de handsetlijnen die ondersteuning bieden voor weergave gedeeld gesprek. Wanneer de functie door geen lijnen wordt ondersteund, wordt Niet geconfigureerd weergegeven in het veld.

Lokale telefoonlijst importeren

Bestandsnaam

Wordt gebruikt om een lokale telefoonlijst vanaf een computer naar de telefoon te uploaden in de .csv-indeling (door komma's gescheiden).

Zie Instellingen lokale contactpersonen voor meer informatie.

Lokale telefoonlijst exporteren

Wordt gebruikt om een lokale telefoonlijst vanaf een telefoon naar de computer te exporteren in de .csv-indeling (door komma's gescheiden).

Zie Instellingen lokale contactpersonen voor meer informatie.

De status van de handset weergeven

U ziet de status van de handset om u te helpen bij het oplossen van problemen. De informatie omvat de firmwareversie die op de handset is geïnstalleerd en informatie over het verbonden basisstation.

Procedure


Stap 1

Druk op Menu .

Stap 2

Selecteer Instellingen > Status.


Voer een locatieonderzoek uit

U kunt een locatieonderzoek doen om te controleren of u uw basisstations zo hebt geplaatst dat de handsets eenvoudig verbinding kunnen maken. Elk basisstation heeft een radiobereik van ongeveer 50 meter binnenshuis en maximaal 300 meter buitenshuis. Echter, er kan storing zijn door andere apparatuur en slechte dekking vanwege de constructie van de muren en deuren (bijvoorbeeld branddeuren).

U voert een locatieonderzoek uit:

  • Tijdens de eerste installatie: u kunt uw basisstations op tijdelijke locaties plaatsen en deze inschakelen. U hoeft deze niet te verbinden met het LAN. U voert het onderzoek uit om te controleren of de handsets kunnen communiceren met de basis.

  • Nadat de installatie is voltooid: u kunt een onderzoek uitvoeren om te controleren of het systeem correct werkt en problemen met de gebruikersverbinding op te lossen.

Gebruik de handset om te controleren of de dekking goed genoeg is dat al uw gebruikers in alle gebieden worden gedekt.


Opmerking


U kunt in de handset de signaalsterkte voor de handsetradio aanpassen. We raden echter aan dat u de wijziging in signaalsterkte bespreekt met uw serviceprovider of Cisco TAC.


Voer deze taak uit wanneer u uw systeem instelt en wanneer er iets verandert aan het gebied (bijvoorbeeld wijzigingen van de muren of nieuwe gebieden zijn toegevoegd).

Voordat u begint

U hebt ten minste één volledig opgeladen handset nodig.

Procedure


Stap 1

Houd op de handset Aan/uit/einde ingedrukt tot het scherm wordt ingeschakeld.

Stap 2

Druk op Menu

Stap 3

Voer *47* in voor een lijst met basisstations en repeaters die binnen bereik zijn.

Stap 4

(optioneel) Druk op Instellingen om de dBm-drempelwaarden voor de bereiken weer te geven.

  • Groen naar geel: geeft de drempelwaarde voor de gele indicatie aan. Als dit veld bijvoorbeeld -70 dBm bevat, wordt een waarde van -69 dBm groen weergegeven en -70 dBm geel. De standaard is -70 dBm.

  • Geel naar rood: geeft de drempelwaarde voor de rode indicatie aan. Als dit veld bijvoorbeeld -80 dBm bevat, wordt een waarde van -79 dBm geel weergegeven en -80 dBm rood. De standaard is -80 dBm.

Als u het bereik wilt wijzigen,

  1. Markeer een van de vermeldingen en druk op Selecteren.

  2. Markeer een nieuwe waarde uit de lijst en druk op Selecteren.

Stap 5

Markeer een gekoppeld MAC-adres en IP-adres in de lijst IP zoeken en druk op Selecteren.

Op het scherm wordt de volgende informatie over het geselecteerde basisstation of de geselecteerde repeater weergegeven:

  • Pictogram Signaalsterkte:

    • Groen vinkje : de handset heeft zeer goede DECT-verbinding met het basisstation of de repeater op de huidige locatie.

    • Oranje driehoekspictogram : de handset heeft voldoende DECT-verbinding met het basisstation of de repeater op de huidige locatie.

    • Rood rond pictogram : de handset heeft slechte tot geen DECT-verbinding met het basisstation of de repeater op de huidige locatie. In deze situatie moet u het basisstation verplaatsen voor betere dekking, een extra basisstation toevoegen of een repeater toevoegen.

  • MAC: het MAC-adres van het basisstation.

  • IP: het IP-adres van het basisstation.

    Als het basisstation is ingeschakeld maar niet is verbonden met het LAN, wordt op de handset 0.0.0.0 weergegeven.

  • RFPI: de RFPI-identiteit (Radio Fixed Part Identity) van het basisstation.

  • RSSI: de indicator voor de signaalsterkte vanuit het basisstation naar de handset.

Stap 6

Druk op Aan/uit/einde totdat u terug bent bij het hoofdscherm.

Stap 7

Ga naar een andere locatie en herhaal stap 2, 3 en 5 om de dekking te controleren.